Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.6.5.3
12.6.5.3 Toets aan het toetsingskader
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491601:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 5.11.3.2, p. 220-221. Zie ook Dijstelbloem 1984, hoofdstuk 8, onderdeel 1, p. 195-196. In zijn bespreking van de destijds geldende bedrijfsfusieregeling besteedt deze auteur aandacht aan een voorschrift waarin was bepaald dat voorfusieverliezen van de overnemer niet konden worden verrekend met nafusiewinsten van dat lichaam. Deze vorm van verliesverrekening was als hoofdregel onmogelijk, maar in daartoe aanleiding gevende gevallen kon een verzachting worden geboden (Resolutie BNB 1983/173). Dijstelbloem geeft aan dat een beperking bij de verrekening van voorfusieverliezen van de overnemer in bepaalde gevallen overwogen zou kunnen worden. Hij schrijft: “Daarbij zou kunnen worden gedacht aan een uitsluiting van compensatie van deze verliezen met winsten ontstaan uit de realisatie van stille reserves en goodwill, die met toepassing van artikel 14 Vpb naar de dochtervennootschap zijn verschoven.” Ook Dijstelbloem is dus voorstander van een regeling waarin nieuwe winst, dus verrekeningspotentieel dat pas na de bedrijfsfusie ontstaat, ongemoeid wordt gelaten.
Zie Boomsluiter in: Stevens & Van de Streek 2019, onderdeel 4.4, p. 337-338.
Zie ook de analyse en het voorbeeld in onderdeel 11.4.4.11.
Zie ook onderdeel 12.6.2.
Zie onderdeel 12.6.4.
Zie onderdeel 12.6.4.4.
Zie onderdeel 11.4.4.9 (zuivere splitsing) en onderdeel 11.4.5.8 (afsplitsing).
Ik heb verdedigd dat de verkrijger deze nasplitsingswinsten jaarlijks - en zonder noodzakelijke, bestendige gedragslijn - naar eigen inzicht mag toerekenen aan de oorspronkelijke en/of de overgenomen onderneming. Zie onderdeel 11.4.4.11 en de daar gemaakte literatuurverwijzingen.
Volgens mij hoeft daarmee geen rekening te worden gehouden. Zie onderdeel 11.4.4.11.
Zie ook de uitgebreide analyse in onderdeel 11.4.4.11 (zuivere splitsing) en onderdeel 11.4.5.11 (afsplitsing). Ik verwijs in dit verband ook naar VBW no. 199, 1995, onderdeel 5.2.2, p. 65-66, waarin knelpunten worden geïnventariseerd met betrekking tot de winstsplitsing bij het (voormalige) fiscale-eenheidsregime. Eerst wordt opgemerkt dat met name de gecompliceerdheid van de regeling voor de praktijk belastend is. Dit omdat de afzonderlijke winstberekening (winstsplitsing) veelal uitsluitend om fiscale redenen moet plaatsvinden. Vervolgens wordt ook stilgestaan bij de regeling van de juridische fusie. De Commissie tekent aan dat een afzonderlijke winstberekening van niet meer bestaande vennootschappen in de praktijk nauwelijks valt te maken. Dit betoog kan volgens mij worden doorgetrokken naar de rechtsfiguur van de splitsing. Vgl. ook Essers & Van Zadelhoff, TFO 1998/21, onderdeel 3.2.
Zie de onderdelen 11.4.4.12, 11.4.4.13 en 11.4.4.14 (zuivere splitsing) en 11.4.5.12, 11.4.5.13 en 11.4.5.14 (afsplitsing).
Zie onderdeel 12.6.4.2. In dat onderdeel is ook aandacht besteed aan zogenoemde definitieve verliezen.
Fiscaal-theoretische toets
De verrekening van ‘eigen’ fiscale aanspraken van de verkrijgende rechtspersoon
Volgens de geldende standaardvoorwaarden kunnen de fiscale voorsplitsingsaanspraken die samenhangen met de oorspronkelijke onderneming van de verkrijgende rechtspersoon na het (af)splitsingstijdstip worden verrekend met verrekeningspotentieel dat toerekenbaar is aan diezelfde onderneming. Dat is terecht want zou ook mogelijk zijn zonder een fiscaal gefaciliteerde splitsing. Met de huidige standaardvoorwaarden wordt uitsluitend bewerkstelligd dat de fiscale voorsplitsingsaanspraken die toerekenbaar zijn aan de oorspronkelijke onderneming van de verkrijger na het (af)splitsingstijdstip niet kunnen worden verrekend met verrekeningspotentieel dat voortvloeit uit de onderneming die is overgenomen van de splitser; de overgenomen onderneming. Dit geldt overigens niet alleen voor zover dat verrekeningspotentieel op het (af)splitsingstijdstip al in de overgenomen onderneming zat opgesloten, maar ook als het gaat om nieuw verrekeningspotentieel, dat wil zeggen potentieel dat pas na het (af)splitsingstijdstip is ontstaan. Dit wordt veroorzaakt door de winstsplitsing waarbij de vergelijking wordt gemaakt met de situatie waarin de splitsing niet heeft plaatsgevonden.
Van den Brande-Boomsluiter heeft met betrekking tot fiscaal gefaciliteerde bedrijfsfusies en aanspraken op voorwaartse verrekening van verliezen van de overnemer betoogd dat deze benadering overkill tot gevolg kan hebben.1 In een latere bijdrage heeft zij dat standpunt herhaald en doorgetrokken naar fiscaal gefaciliteerde splitsingen en juridische fusies en de verrekening van voorsplitsings- respectievelijk voorfusieverliezen van de verkrijgende rechtspersoon.2 Ik onderschrijf dat standpunt. Het is volgens mij namelijk voldoende te dwarsbomen dat het verrekeningspotentieel van fiscale aanspraken zoals verliesaanspraken wordt verruimd als gevolg van een fiscaal gefaciliteerde splitsing. Dit betekent dat de standaardvoorwaarden slechts een dam moeten opwerpen tegen de verrekening van voorsplitsingsaanspraken van de verkrijgende rechtspersoon met verrekeningspotentieel dat onmiddellijk vóór de splitsing al zit opgesloten in het vermogen dat is overgenomen van de splitsende rechtspersoon. Ik geef een voorbeeld ter verduidelijking. Stel dat de verkrijger voorsplitsingsverliezen heeft van 200. De winst in het eerste jaar na de splitsing is 100. Deze nasplitsingswinst is volledig toerekenbaar aan de overgenomen onderneming. Als deze nasplitsingswinst nader wordt geanalyseerd, blijkt dat deze al voor 75 aanwezig was op het (af)splitsingstijdstip, bijvoorbeeld in de vorm van stille reserves in vermogensbestanddelen. Dit is de doorgeschoven splitsingswinst. Een bedrag van 25 representeert dus ‘nieuwe winst’ die is ontstaan na het (af)splitsingstijdstip. Op grond van de huidige regels kan de totale nasplitsingswinst van 100 niet worden gebruikt voor verliesverrekening over het (af)splitsingstijdstip.3 Wordt de verliesverrekening slechts geblokkeerd tot het beloop van de doorgeschoven splitsingswinst, dan kan de nieuwe winst van 25 worden gebruikt voor de verrekening van de voorsplitsingsverliezen van de verkrijger. Dit is volgens mij geen vreemde uitkomst. Stel namelijk dat de verkrijger het vermogen van de splitser niet had verkregen in het kader van een fiscaal gefaciliteerde splitsing, maar via een belaste overdracht of via een splitsing met fiscale afrekening. De overdrager moet in dat scenario afrekenen over de fiscale meerwaarden in dat vermogen (stel 75). Bij de verkrijger wordt het verkregen vermogen tegen de waarde in het economische verkeer opgenomen op de fiscale balans. De bij de verkrijger aanwezige verliesaanspraken zouden vervolgens na de overname kunnen worden verrekend met de post-overnamewinst (stel 25). De werkwijze bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing zou naar mijn mening hetzelfde tot gevolg moeten hebben. Dat is het meest in overeenstemming met (de economische dimensie van) het neutraliteitsbeginsel en het welvaartsbeginsel. De fiscale regels staan dan immers zo neutraal mogelijk tegenover de wijze waarop vermogen wordt verkregen terwijl (de betrokkenen bij) de splitsing zo min mogelijk wordt belemmerd. De huidige regels voldoen hier niet aan omdat wordt gedaan alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden, waarmee ook de realiteit van de overname van de onderneming wordt genegeerd. Het resultaat is in strijd met de fiscaal-theoretische toets. Het is mijns inziens zuiverder slechts te voorkomen dat aan de fiscaal gefaciliteerde splitsing op dit punt materiële terugwerkende kracht wordt verleend.4 Dat kan worden vormgegeven door te beletten dat de fiscale aanspraken die behoren bij de oorspronkelijke onderneming van de verkrijger na het (af)splitsingstijdstip worden verrekend met het verrekeningspotentieel dat op het (af)splitsingstijdstip al zat opgesloten in de overgenomen onderneming. Deze benadering heeft tot gevolg dat de verkrijgende rechtspersoon nieuwe winst die wordt behaald met de overgenomen onderneming kan afzetten tegen verliesaanspraken die zijn gekoppeld aan zijn oorspronkelijke onderneming. Verderop bepleit ik in lijn hiermee een aanpassing van het huidige winstsplitsingssysteem.
De verrekening van fiscale aanspraken die zijn overgenomen van de splitsende rechtspersoon
Hoe zou idealiter moeten worden omgegaan met de fiscale voorsplitsingsaanspraken die door de verkrijger worden overgenomen van de splitser en die verbonden zijn aan de overgenomen onderneming? Bij de hiervóór behandelde fiscale voorsplitsingsaanspraken die samenhangen met de oorspronkelijke onderneming van de verkrijger kon een vergelijking worden gemaakt met een reguliere belaste verkrijging van vermogen. Zo’n vergelijkingsmaatstaf is met betrekking tot de overgenomen fiscale aanspraken niet voorhanden. Het is normaliter immers niet mogelijk om fiscale aanspraken tussen belastingsubjecten te laten overgaan. Ik schets drie manieren om naar dit vraagstuk te kijken:
De overgenomen fiscale voorsplitsingsaanspraken kunnen na het (af)splitsingstijdstip slechts worden benut met verrekeningspotentieel dat op dat tijdstip al zat opgesloten in de onderneming die van de splitsende rechtspersoon is overgenomen.
De overgenomen fiscale voorsplitsingsaanspraken zijn na het (af)splitsingstijdstip alleen verrekenbaar met verrekeningspotentieel dat samenhangt met de overgenomen onderneming. Het maakt daarbij niet uit of dat verrekeningspotentieel op het (af)splitsingstijdstip al aanwezig was bij de splitser.
Idem als b, maar de overgenomen fiscale voorsplitsingsaanspraken kunnen ook worden verrekend met verrekeningspotentieel dat samenhangt met de oorspronkelijke onderneming van de verkrijger, maar uitsluitend voor zover dat verrekeningspotentieel na het (af)splitsingstijdstip is ontstaan.
De eerste methode overtuigt mij niet en zou naar mijn mening dan ook niet moeten worden omarmd. Hiervóór is namelijk al onderbouwd dat de splitsingspartners te veel zouden worden belemmerd als fiscale aanspraken als gevolg van een (wenselijke) splitsing verloren gaan.5 De fiscale voorsplitsingsaanspraken die door de verkrijger zijn overgenomen van de splitser kunnen in omvang (veel) groter zijn dan het verrekeningspotentieel dat op het (af)splitsingstijdstip bij de splitser aanwezig is. Wordt de eerste methode gevolgd, dan is in dergelijke gevallen op het (af)splitsingstijdstip direct al duidelijk dat die overgenomen fiscale aanspraken (deels) verloren zullen gaan. De tweede methode komt overeen met het huidige recht. Dat oogt zuiver. De van de splitsende rechtspersoon overgenomen fiscale voorsplitsingsaanspraken gaan bij deze methode niet op voorhand verloren en zij kunnen alleen worden afgezet tegen verrekeningspotentieel dat samenhangt met de overgenomen onderneming. Er wordt gedaan alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden. Toch ben ik geen voorstander van deze benadering. Mijn bezwaar is dat wordt afgeweken van de eerder in dit onderdeel verdedigde werkwijze met betrekking tot de fiscale voorsplitsingsaanspraken die samenhangen met de oorspronkelijke onderneming van de verkrijger. Ik vind dat niet wenselijk. Daarom stel ik een ‘spiegelbeeldbenadering’ voor. De regels voor verrekening van fiscale voorsplitsingsaanspraken over het (af)splitsingstijdstip heen zijn dan niet gevoelig voor de ‘splitsingsrichting’. Daarmee bedoel ik dat het voor de toepassing van die regels niet uitmaakt welke rechtspersoon aan de splitsing deelneemt als de splitser en welke rechtspersoon als de verkrijger. De regels staan in dit voorstel met andere woorden neutraal tegenover de vraag of bij de splitsing een onderneming (verrekeningspotentieel) overgaat van de splitser (X) naar een verkrijger (Y) met fiscale voorsplitsingsaanspraken (situatie 1) of – andersom – dat fiscale voorsplitsingsaanspraken overgaan van de splitser (Y) naar een verkrijger (X) met verrekeningspotentieel (situatie 2).
Om dit nader te illustreren grijp ik terug op het hiervóór behandelde voorbeeld over de verliesaanspraken die behoren tot de oorspronkelijke onderneming van de verkrijgende rechtspersoon. In het schema is dit situatie 1. De conclusie was dat de verkrijger (Y) van de totale nasplitsingswinst van 100, die geheel betrekking had op de onderneming die bij de splitsing is overgenomen van de splitser (X), een bedrag van 25 kon gebruiken om af te zetten tegen zijn voorsplitsingsverliezen van 200. In zoverre was namelijk sprake van nieuwe winst. Stel dat de splitsing wordt omgedraaid, dus X is de verkrijgende rechtspersoon en Y de splitsende rechtspersoon. In het schema is dit situatie 2. In het door mij eerder in dit onderzoek voorgestelde systeem zou de verliesaanspraak van 200 overgaan van de splitser (Y) naar de verkrijger (X) voor zover het vermogen dat die aanspraak heeft veroorzaakt, eveneens naar die verkrijger zou zijn overgegaan.6 In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat de totale verliesaanspraak van 200 bij de splitsing overgaat van de splitsende rechtspersoon (Y) naar de verkrijgende rechtspersoon (X). Stel dat deze verkrijger een nasplitsingswinst behaalt van 100 die volledig toerekenbaar is aan diens oorspronkelijke onderneming. Daarvan zat 75 direct vóór de splitsing al opgesloten in die onderneming. Het lijkt mij dan zuiver dat 25 kan worden afgezet tegen de overgenomen verliesaanspraak. Het eindresultaat is dan gelijk aan de situatie waarin de splitsing andersom zou zijn vormgegeven. Deze spiegelbeeldbenadering komt er wat betreft de fiscale voorsplitsingsaanspraken die zijn verbonden aan de overgenomen onderneming dus op neer dat wordt voorkomen dat aan de fiscaal gefaciliteerde splitsing materiële terugwerkende kracht wordt verleend. Dat is de derde methode. Het verderop uit te werken voorstel tot aanpassing van het huidige winstsplitsingssysteem neemt dit als vertrekpunt.
Fiscaaltechnische toets
Eerder in dit onderzoek zijn de diverse standaardvoorwaarden die betrekking hebben op fiscale voorsplitsingsaanspraken uitvoerig geanalyseerd. Samenvattend zijn daarbij de volgende onvolkomenheden van fiscaaltechnische aard vastgesteld:
De standaardvoorwaarden over de verrekening van voortwentelingsaanspraken in verband met de earningsstrippingmaatregel zijn veel te summier en zonder sprekende (cijfer)voorbeelden toegelicht. Ook is niet duidelijk aan welke situaties is gedacht bij de vormgeving van de antimisbruikbepaling. Specifiek met betrekking tot zuivere splitsingen is het bovendien maar zeer de vraag of de gekozen – uiterst ingewikkelde en bewerkelijke – werkwijze noodzakelijk is.7
In de (toelichting op de) standaardvoorwaarden over de verrekening van verliesaanspraken en de daarin voorgeschreven winstsplitsing wordt geen aandacht besteed aan nasplitsingsresultaten die worden behaald met activiteiten die na het (af)splitsingstijdstip zijn opgestart en waarvan niet objectief en historisch kan worden vastgesteld of deze samenhangen met – of in het verlengde liggen van – de oorspronkelijke onderneming of de overgenomen onderneming. Daardoor is onduidelijk of de verkrijgende rechtspersoon dergelijke nasplitsingsresultaten verplicht moet toerekenen aan de oorspronkelijke onderneming of de overgenomen onderneming, en zo ja, op welke wijze die toerekening moet plaatsvinden.8 Ook is niet helder of bij de winstsplitsing rekening moet worden gehouden met onderlinge ‘transacties’ binnen de verkrijgende rechtspersoon die plaatsvinden na het (af)splitsingstijdstip, zoals het ‘verschuiven’ van vermogensbestanddelen tussen de oorspronkelijke en de overgenomen onderneming.9 Duidelijk is wel dat bij de winstsplitsing rekening moet worden gehouden met onderlinge rechtsverhoudingen die als gevolg van de splitsing tenietgaan, zoals een (ver)huurovereenkomst of geldleningsovereenkomst tussen de splitsingspartners. Dat bevriest de situatie op het (af)splitsingstijdstip en compliceert de winstsplitsing. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat de winstsplitsingsregels te veel onduidelijkheden bevatten, in hun uitwerking complex zijn en veel vergen van de (administratie van de) verkrijgende rechtspersoon.10
De standaardvoorwaarden over voortwentelingsaanspraken in verband met (i) deelnemingsverrekening, (ii) verrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en (iii) buitenlandse bronbelasting lijken geen beperkingen te bevatten voor het berekenen van de zogenoemde derde limiet. Dat strookt niet bij het gekozen uitgangspunt dat dergelijke aanspraken na het (af)splitsingstijdstip slechts kunnen worden benut binnen de sfeer van de onderneming waarin zij zijn opgekomen.11
Deze fiscaaltechnische onvolkomenheden zijn gesignaleerd tegen de achtergrond van de nu geldende manier waarop fiscale voorsplitsingsaanspraken na het (af)splitsingstijdstip worden verrekend. Hierna worden alternatieven behandeld. Mijns inziens kunnen de vastgestelde fiscaaltechnische onvolkomenheden daarmee worden opgelost.
Toets aan hoger recht
Art. 6 Fusierichtlijn verplicht Nederland tot het volgende. Als een in Nederland gevestigde verkrijger bij een fiscaal gefaciliteerde splitsing in staat wordt gesteld voorsplitsingsverliesaanspraken over te nemen van de splitser, dient dat ook mogelijk te zijn voor een buiten Nederland maar in de EU gevestigde verkrijger met een vi in Nederland. De Nederlandse regeling voldoet hieraan.12 Art. 6 Fusierichtlijn schrijft niet voor op welke wijze de verliesverrekening over het (af)splitsingstijdstip heen moet plaatsvinden. Daarom is het mijns inziens voldoende als de vi-situatie op dezelfde wijze wordt behandeld als een puur binnenlandse situatie. In de Nederlandse regeling is dat het geval en dat blijft zo wanneer één van de hierna te behandelen alternatieven wordt overgenomen. De toets aan hoger recht slaagt.