Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.2.2.5
10.2.2.5 Precontractuele fase
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS504763:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
M.R. RUYGVOORN, Afbreken van onderhandelingen, Mon. Privaatrecht, no. 5, 2005, blz. 21 e.v.
SNIJDERS, preadvies, no. 2.3, is terughoudend; vgl. ook (negatief) Pres. Rb. Middelburg 8 november 1990 (r.o. 4.2), KG 1990, 385, BR 1991, blz. 408, zij het met een wat cryptische motivering; anders B. VOLDERS, Afgebroken contractonderhandelingen in het internationaal privaatrecht, Brussel 2008, nos. 413-414, die meent dat een geschillenbeslechtingsclausule zich ook tot geschillen betreffende de precontractuele fase uitstrekt, dit ongeacht de grondslag van vorderingen die terzake kunnen worden ingesteld; in dezelfde zin, zo lijkt het, POUDRET & BESSON, no. 307 met betrekking tot culpa in contrahendo.
Zie, zij het voor de forumkeuze, KUYPERS (diss.), blz. 217 (met referte aan jurisprudentie), die een uitzondering aanneemt als mag worden aangenomen dat voor de precontractuele fase over de forumkeuze al overeenstemming is bereikt en over de forumkeuze al — op de totstandkoming van de overeenkomst vooruitlopende — consensus bestaat; vgl. daartoe Rb. Amsterdam 18 oktober 2000, NIPR 2001, 210 ten aanzien van een forumkeuzebeding in een conceptovereenkomst, die de wederpartij bij brief had bevestigd, doch waaromtrent volgens de rechtbank geen wilsovereen stemming bestond omdat zij niet voldoende duidelijk en nauwkeurig was.
Zie voor de uitleg van de reikwijdte van het arbitraal beding in het licht van hetgeen voortvloeit uit de separabiliteit van het arbitraal beding ook House of Lords 17 oktober 2007 (Fiona Trust/Privalov), Yearb. Comm. Arb. 2007, blz. 654-682, zij het niet ten aanzien van geschillen betreffende de precontractuele fase (zie daartoe 10.2.2.1).
Aldus A. SAMUEL, Jurisdictional Problems in International Commercial Arbitration, Zlirich 1989, blz. 174 alsook BORN, International Commercial Arbitration, blz. 370-402 met referte aan jurisprudentie en literatuur.
Zie ook SNIJDERS, preadvies, no. 2.3 in fine en Losbl. Verbintenissenrecht (BLEI WEISSMANN), art. 227.1, aant. 28.
R.W. POLAK, in: Toegang tot buitenlands vermogensrecht, 2.2.3 (I) (blz. 69) en Losbl. Verbintenissenrecht (BLEI WEISSMANN), art. 227.1, aant. 28.
R.W. POLAK, in: Toegang tot buitenlands vermogensrecht, 2.2.3 (I) (blz. 69).
Bij geschillen die voortvloeien uit de precontractuele fase zal het veelal gaan om afgebroken onderhandelingen en de daaruit voortvloeiende verbintenissen. Hierbij zal het met name gaan om de verbintenis tot voorzetting van de afgebroken onderhandelingen of de verbintenis tot vergoeding van de schade van de wederpartij (bestaande uit de kosten en/of gederfde winst).1 Aangenomen wordt wel dat het arbitraal beding in een (ontwerp)overeenkomst zich veelal niet uitstrekt tot geschillen die voortvloeien uit de precontractuele fase voorafgaande aan de overeenkomst waarin het beding is opgenomen als het beding zich daartoe niet expliciet uitstrekt.2 De redenering is dat in de precontractuele fase de overeenstemming tussen partijen nog niet volledig is en nog niet vaststaat, zodat in de precontractuele fase in beginsel (ook nog) geen geldige arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen.3
De vraag of überhaupt tussen partijen een overeenkomst is totstandgekomen, betreft niet een geschil betreffende de precontractuele fase als zojuist bedoeld. Volgens de ruime toepassing van de separabiliteitsleer zal het in de vermeende overeenkomst opgenomen arbitraal beding zich heel wel tot deze vraag kunnen uitstrekken (zie 5.8.2.2 sub c). Zo is het niet geheel uitgesloten dat een partij primair stelt dat tussen partijen een overeenkomst is totstandgekomen en op grond daarvan nakoming van de overeenkomst vordert en subsidiair, voor het geval wordt aangenomen dat geen overeenkomst is totstandgekomen, op grond van de precontractuele goede trouw voortzetting van de onderhandelingen of schadevergoeding vordert. Als in de volgens de zojuist genoemde partij totstandgekomen overeenkomst tussen partijen een arbitraal beding is opgenomen en de wederpartij zich erop beroept dat tussen partijen geen (hoofd)overeenkomst is totstandgekomen, dan is het mogelijk dat wordt aangenomen dat zij zich niet tevens (met succes) erop beroept dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt en dat partijen arbitrage zijn overeengekomen ten aanzien van de vraag of de (hoofd)overeenkomst überhaupt is totstandgekomen, zij het dat men dan wel de al genoemde ruime toepassing van de separabiliteitsleer volgt (waaromtrent 5.8.2.2 sub c). Los van het vorenstaande, i.e. voor het geval het scheidsgerecht concludeert dat geen (hoofd)overeenkomst is totstandgekomen, komt de vraag aan de orde of het arbitraal beding zich mede uitstrekt tot het subsidiair gevorderde, de vordering omtrent de precontractuele fase. Uiteraard zal de verweerder zich dan wel sowieso tijdig erop moeten hebben beroepen dat het beding zich daartoe niet uitstrekt (art. 1052 lid 2 Rv). Het antwoord op de genoemde vraag blijft een kwestie van uitleg en in de zojuist geschetste casuspositie komt het, mede in het licht van het "alles-in-één-vermoeden" in elk geval wel wenselijk voor dat het scheidsgerecht ook deze vordering afdoet (zie ook 10.2.2.1). Ook als een partij, ervan uitgaande dat geen (hoofd)overeenkomst is totstandgekomen, slechts een "separate" vordering strekkende tot vergoeding van schade wegens afgebroken onderhandelingen instelt, blijft het een kwestie van uitleg of partijen — vooruitlopend op de (hoofd)overeenkomst — niettemin arbitrage zijn overeengekomen en, zo ja, de arbitrageovereenkomst zich tot de desbetreffende vordering uitstrekt. De genoemde ruime toepassing van de separabiliteitsleer zal daarbij dan in zoverre een rol kunnen spelen dat wij ervan mogen uitgaan dat het enkele feit dat geen (hoofd)overeenkomst is totstandgekomen nog niet met zich brengt dat geen arbitrageovereenkomst tussen partijen bestaat, althans ten aanzien van de vraag of een (hoofd)overeenkomst is totstandgekomen. Verdedigd kan worden dat, voor een geval waarin ingevolge de separabiliteit van het arbitraal beding mag worden aangenomen dat partijen arbitrage zijn overeengekomen over een mogelijk geschil betreffende de vraag of tussen hen inderdaad een (hoofd)overeenkomst is totstandgekomen, dit op de grond dat daarin een arbitraal beding is opgenomen (waaromtrent 5.8.2.2 sub c), dan tevens mag worden aangenomen dat partijen als zij het op zich erover eens zijn of als de conclusie luidt dat geen (hoofd)overeenkomst is totstandgekomen — eventuele geschillen betreffende (het handelen van een partij aangaande) de niet-totstandkoming van de (hoofd)overeenkomst aan arbitrage hebben willen onderwerpen, dit net zoals bijvoorbeeld wordt aangenomen dat partijen acties uit onrechtmatige daad betreffende de uitvoering van een bepaalde (wel totstandgekomen) (hoofd)overeenkomst, houdende een arbitraal beding, aan arbitrage hebben willen onderwerpen, terwijl omtrent de (hoofd)overeenkomst in strikte zin tussen partijen geen geschil bestaat, doch tussen partijen met name strijd bestaat over de vraag of onrechtmatig is gehandeld ten aanzien van de uitvoering van de overeenkomst (zie daartoe 10.2.2.4).4 Ik kan mij voorstellen dat wij de zojuist geschetste lijn kunnen volgen als partijen uitvoerig met elkaar in onderhandeling waren en daarbij een aantal concept-overeenkomsten hebben uitgewisseld waarin van het begin af aan een arbitraal beding was opgenomen, terwijl (uit de stukken) blijkt dat over het in de conceptovereenkomsten opgenomen arbitraal beding geen (noemenswaardige) opmerkingen zijn gemaakt.5
Desgewenst kunnen partijen expliciet overeenkomen dat geschillen uit de precontractuele fase aan arbitrage moeten worden onderworpen. Zij zullen dan een arbitrageovereenkomst kunnen sluiten waarin zij stipuleren dat deze op geschillen in de precontractuele fase betrekking heeft (zie ook 4.3.3 ten aanzien van de term "rechtsbetrekking" in art. 1020 lid 1 Rv).6
Zo wordt het ook mogelijk geacht om een rechtskeuze te maken met betrekking tot geschillen betreffende de precontractuele fase.7 Om de rechtskeuze geheel veilig te stellen, sluiten partijen veelal een overeenkomst met betrekking tot hun onderhandelingen waarin zij naast de rechtskeuze ook resterende bepalingen aangaande de onderhandelingen kunnen opnemen (bijvoorbeeld in de vorm van een intentieverklaring of een "heads of agreement"). Partijen sluiten deze overeenkomst, met inbegrip van de rechtskeuze, voor het geval dat een geschil ontstaat over de uitleg of uitvoering van die overeenkomst.8 Mij dunkt dat daarin dan tevens een arbitraal beding kan worden opgenomen betreffende de geschillen die aangaande de onderhandelingen ontstaan.9