Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.6.4
9.6.4 De inlichtingencomparitie
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581162:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Hidma & Rutgers 2004, nr. 5, p. 10; nr. 7, p. 15; Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 146; Wieten 2008, p. 3. Zie over de rol van de inlichtingencomparitie onder het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van voor 1 januari 2002 (voor de invoering van de Wet herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken (wetsvoorstel 26 855)): Asser/Vranken (1995), nr. 17 e.v., p. 11 e.v.
Van den Reek 1997, p. 29; Hidma & Rutgers 2004, nr. 5, p. 10-11; Wieten 2008, p. 3.
Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 146.
Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 146.
Art. 19a Rv (oud) koppelde het bevel van art. 19a Rv (oud) nog vast aan de inlichtingencomparitie. Zie hiervoor ook Van den Reek 1997, p. 30. In het kader van de harmonisering van het burgerlijk procesrecht is er dan ook voor gekozen art. 19a Rv een ruimere strekking te geven. In de MvT wordt ook opgemerkt dat er geen goede grond is waarom de in art. 22 Rv (19a Rv oud) gegeven bevoegdheid in andere gevallen niet of in mindere mate zou gelden (p. 83).
Zie ook Van den Reek 1997, p. 31. Van den Reek verwijst in zijn dissertatie ook naar HR 18 mei 1979, N 1980, 213 m.nt. WHH (HulskorteNan der Lek) waarin de Hoge Raad overwoog dat de getuigplicht er mede toe strekt de belangen van procespartijen te beschermen.
Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 5, p. 29 (MvT).
Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 5, p. 83 (MvT); zie ook Van den Reek 1997, p. 31.
De comparitie kan ten doel hebben tot een schikking te komen, maar kan evenzeer dienen tot het verkrijgen van inlichtingen, nodig voor de oplossing van een mededingingsrechtelijke vraag.1 Zeker in het geval te weinig of onduidelijke mededingingsrechtelijk relevante feiten zijn gesteld, of als de rechter ingelicht wil worden over de mogelijkheden die partijen zien tot bewijslevering, komt de inlichtingencomparitie van pas.2 Daarnaast gebruikt de rechter de comparitie om met partijen (en hun advocaten) te overleggen over de verdere instructie. Bij de instructie kan ook worden besproken of moet worden overgegaan tot het gelasten van deskundigeninbreng in de procedure, waarbij aan de orde kan komen wie als deskundige(n) benoemd zou kunnen worden. Tevens kan aan de orde komen of de rechter zal overgaan tot het bevelen van een getuigenverhoor. Te denken valt aan getuigen die verklaringen kunnen afleggen over mededingingsbeperkende gedragingen die niet op papier staan. De rechter zal veelal een schikkings- en inlichtingencomparitie bevelen.3 Overigens kan de rechter, los van de comparitie na antwoord, ex artikel 87 en 88 Rv op elk gewenst moment een (inlichtingen)comparitie bevelen (en vanzelfsprekend ook een schikkingscomparitie), zodat de zojuist genoemde mogelijkheden ieder moment tot zijn beschikking staan.4
Ex artikel 22 Rv kan de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure (dus ook buiten de inlichtingencomparitie om) partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen.5 Wanneer een partij zonder gewichtige redenen weigert het bevel van de rechter op te volgen, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht, aldus het processueel vermoeden van artikel 22 Rv. Op grond van het niet voldoen aan de informatieverschaffingsplicht wordt een feit aangenomen behoudens tegenbewijs. Dit kan tot een omkering van de bewijslast leiden ten gunste van de partij op wie volgens de hoofdregel ex artikel 150 Rv de bewijslast rust. In een mededingingsrechtelijk geschil is de betekenis van deze bepaling niet onbelangrijk. De rechter kan via deze bepaling bepaalde stukken, documenten, gegevens en andere bescheiden van partijen verlangen die de noodzakelijke informatie bevatten over het á dan hebben gemaakt van afspraken in strijd met het kartelverbod of het á dan niet misbruik maken van een machtspositie. De MvT acht het, naast de algemene sanctie van de gevolgtrekking die de rechter geraden oordeelt, ook denkbaar dat de rechter op vordering van een partij het bevel versterkt met een dwangsom. Op deze manier speelt het bevel tevens in de verhouding tussen procespartijen een rol. Partijen kunnen op deze manier ook over en weer aanspraak maken op schriftelijke bescheiden die mededingingsrechtelijk relevant zouden kunnen zijn.6
Partijen hebben op grond van artikel 22 Rv de mogelijkheid, indien daartoe gewichtige redenen bestaan, bepaalde stukken niet over te leggen of de gevraagde inlichtingen niet te verstrekken. De plicht van partijen om op bevel van de rechter nadere informatie te verschaffen geldt in dat geval niet. Het is aan de rechter om te beoordelen of de weigering gerechtvaardigd is. Gewichtige redenen kunnen zowel vertrouwelijke gegevens van persoonlijke als van bedrijfsmatige aard zijn. De nadere invulling van dit criterium is door de wetgever aan de rechtspraak overgelaten.7 Het niet verschaffen van de gevraagde gegevens kan leiden tot het verlies van de procedure wegens het niet rond krijgen van de bewijsvoering. Erkenning van de gewichtige redenen doet het bewijsrisico echter niet verspringen naar de andere partij.8 Het is dan ook aan te raden in dit soort gevallen de rechter te verzoeken om ex artikel 27 Rv de zaak met gesloten deuren te behandelen en ex artikel 29 Rv aan partijen een geheimhoudingsverplichting op te leggen.