Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/6.3.6
6.3.6 De bevroren status van een grensoverschrijdend medezeggenschapssysteem
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS388606:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het Brusselse coördinatieoverleg heeft de lidstaten nadrukkelijk aanbevolen om situaties te benoemen die tot aanpassing van de overeenkomst of tot nieuwe onderhandelingen moeten leiden.Zie het rapport van de Group of Experts SE van 30 april 2003, punten 16 en 18. Niet alle lidstaten hebben aan deze oproep gehoor gegeven. Voor een uiteenzetting van de afwijkende manier waarop een aantal lidstaten art. 11 SE-Richtlijn heeft geïmplementeerd, wordt verwezen naar Roelofs (2010), p. 123-125.
In eerdere voorstellen was dit nog wel het geval. Zie COM (2003) 703 def., p. 15.
Art. 16 lid 7 Tiende Richtlijn is geïnspireerd op art. 11 SE-Richtlijn. Zie het verslag van de Groep sociale vraagstukken 30 juni 2004 (12.07), 10934/04, p. 5.
HvJ EG 22 november 2005, nr. C-144/04, NJ 2006/227, JAR 2005/289 (Mangold); HvJ EU 19 januari 2010, nr. C-555/07, NJ 2010/256, JAR 2010/53 (Kücükdeveci). Het ging in Mangold en Kücükdeveci om de algemene beginselen van gelijke behandeling/non-discriminatie. Het is op voorhand niet duidelijk of ook andere algemene beginselen voor eenzelfde toepassing in aanmerking komen. Meer uitgebreid over dit thema De Waele & Kieft (2010), p. 170-178.
Het Hof van Justitie gaf voor het eerst een algemene omschrijving van het misbruik van recht beginsel in het arrest Emsland-Stärke van 14 december 2000, nr. C-110/99. Het Hof oordeelde dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van recht een objectieve en subjectieve toets geldt. Gekeken moet worden naar objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat het beoogde doel van het gemeenschapsrecht niet wordt bereikt (objectieve toets) en naar de intentie (subjectieve toets). Voor de vrijheid van vestiging hanteerde het Hof van Justitie eenzelfde toetst in het arrest Centros van 9 maart 1999, nr. C-212/97, punten 24 en 25.
De Waele & Kieft (2010) benoemen een verbod op misbruik niet als rechtsbeginsel.
Voor zover het Hof van Justitie al aan algemene rechtsbeginselen van EU-recht enige horizontale werking heeft toegekend, had dit tot gevolg dat nationale wetgeving buiten toepassing werd gelaten. In onderhavige situatie zou een beroep op rechtsmisbruik ertoe moeten leiden dat de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap opnieuw moet onderhandelen over de medezeggenschap, hetgeen een verplichting oplegt aan een particulier. Zie over de horizontale werking van rechtsbeginselen De Waele & Kieft (2010), p. 170-178; Devroe (2007), p. 134-188.
HvJ EG 12 mei 1998, nr. C-367/96, NJ 1999/239 (Kefalas).
Idem, punt 22.
Tot slot de mogelijke verarming van – ditmaal – toekomstige medezeggenschap. Ik doel op het feit dat de systematiek van de wettelijke referentievoorschriften het gevonden resultaat waartoe zijn toepassing leidt (het grensoverschrijdende medezeggenschapssysteem) als het ware bevriest. Dit werkt als volgt. Indien de vennootschap aan een grensoverschrijdend medezeggenschapssysteem onderworpen raakt, stelt art. 16 lid 2 Tiende Richtlijn het nationale medezeggenschapsrecht buiten werking. De systematiek van de SE-Richtlijn – de onderhandelingsprocedure met als vangnet de wettelijke referentievoorschriften – heeft in beginsel alleen voorafgaand aan de fusie gelding. Het gaat om een momentopname. Toekomstige personeelstoenames of veranderingen in de kapitaalomvang hebben geen invloed op de mate en de vorm van medezeggenschap die in de uit de fusie ontstane vennootschap bestaat. Niet alleen de mate en vorm, maar ook de verdeling van de medezeggenschapsrechten over de betrokken lidstaten wordt ‘bevroren’ op het moment van fuseren. De verdeling zoals die bij de fusie door de BOG is vastgesteld, ondergaat geen wijziging bij een aanzienlijke toename van het aantal werknemers in een betreffende lidstaat (behalve indien anders is overeengekomen).
In Nederland is de mate van medezeggenschap afhankelijk van drempels voor vermogen en personeelsomvang. Dit biedt speelruimte voor handig gebruik (dan wel misbruik) van de Tiende Richtlijn. Illustratief is het volgende voorbeeld:
Een Nederlandse NV fuseert met een Belgische BVBA. De statutaire zetel komt in Nederland te liggen. Op grond van de tweede uitzondering treedt het alternatieve regime in werking. Partijen komen niet tot een overeenkomst. De werknemers krijgen op grond van de referentievoorschriften een recht tot medezeggenschap in de vorm van een spreekrecht met betrekking tot de benoeming van alle bestuurders en alle commissarissen in de uit de fusie ontstane Nederlandse NV. Amper twee weken na de grensoverschrijdende fusie neemt de Nederlandse vennootschap een bedrijfsonderdeel over met in totaal 2.000 werknemers. Deze overname heeft tot gevolg dat de Nederlandse NV voldoet aan de voorwaarden van de structuurregeling. Na afloop van de inschrijvingsperiode van drie jaar treedt in de medezeggenschap geen verandering op, nu het grensoverschrijdende medezeggenschapssysteem de structuurbevoegdheden buiten toepassing stelt.
Het is de vraag of de Nederlandse werknemers tegen deze uitkomst iets kunnen ondernemen. Een bedrijfsfusie valt niet onder het fusiebegrip van de Tiende Richtlijn en wordt dus niet bestreken door art. 16 lid 7 Tiende Richtlijn. De EOR-Richtlijn kent in art. 13 een hernieuwde onderhandelingsplicht indien zich na de instelling van de EOR structurele veranderingen voordoen. Een soortgelijke hernieuwde onderhandelingsplicht wordt bepleit met betrekking tot structurele veranderingen die zich voordoen na oprichting van een SE.1 De plicht wordt gebaseerd op de algemene misbruikbepaling van art. 11 SE-Richtlijn in combinatie met overweging 18 preambule SE-Richtlijn. Deze oplossing biedt geen soelaas voor structurele veranderingen die zich voordoen na een grensoverschrijdende fusie.Art. 11 SE-Richtlijn is in de Tiende Richtlijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard.2 Klaarblijkelijk was de Europese wetgever van oordeel dat op de nationale juridische fusies na geen misbruik van de grensoverschrijdende fusie kan worden gemaakt om medezeggenschap te ontwijken.3 Het bovenstaande voorbeeld laat zien dat deze visie niet (geheel) opgaat.
Hebben de werknemers andere mogelijkheden? In de arresten Mangold en Kücükdeveciwerkte een algemeen beginsel van Unierecht (het non-discriminatiebeginsel) via de band van de richtlijn als gevolg van het buiten werking stellen van nationaal recht indirect door binnen de horizontale rechtsverhouding.4 Hoewel het Hof van Justitie andermaal heeft geoordeeld dat het gemeenschapsrecht de lidstaten geen vrijbrief biedt tot het maken van misbruik,5 wordt in de literatuur verschillend gedacht over de vraag of het verbod op misbruik een algemeen rechtsbeginsel is.6 Los daarvan, hebben de arresten van het Hof van Justitie inzake misbruik steeds betrekking op de vraag onder welke omstandigheden een lidstaat belemmerende maatregelen kan opleggen om misbruik te voorkomen. Het is niet duidelijk of deze rechtspraak – als het verbod op misbruik van recht al een algemeen rechtsbeginsel betreft – ook in een horizontale verhouding kan worden ingeroepen om het bestuur van de vennootschap tot onderhandelen te verplichten.7
Het ligt meer voor de hand een oplossing te zoeken via het nationale recht. Nederland kent met art. 3:13 BW een algemene misbruikbepaling. Het Hof van Justitie overwoog in het arrest Kefalas dat nationale gerechtelijke instanties een nationale rechtsregel inzake rechtsmisbruik kunnen toepassen om te beoordelen of van een uit een gemeenschapsbepaling voortvloeiend recht misbruik wordt gemaakt.8 Het beroep op de nationale bepaling mag echter geen afbreuk doen aan de volle werking en de eenvormige toepassing van de gemeenschapsbepalingen in de lidstaten en mag met name de reikwijdte van de gemeenschapsbepalingen niet wijzigen of de doeleinden die daarmee worden nagestreefd in gevaar brengen.9 Toegepast op de bovengenoemde casus sluit ik niet uit dat de Nederlandse werknemers op grond van art. 3:13 BW kunnen stellen dat de uit de fusie ontstane vennootschap de regeling van de Tiende Richtlijn misbruikt om werknemers rechten met betrekking tot hun medezeggenschap te ontnemen. In lijn met art. 16 lid 7 Tiende Richtlijn zou het misbruik moeten leiden tot een hernieuwde onderhandelingsplicht voor de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap.