De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.3.1:II.3.1 Inleiding
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/II.3.1
II.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242783:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 17 maart 2005 tot uitvoering van verordening (EG) 2157/2001 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE), Stb. 2005, 150.
Zie art. 38 jo. 43 lid 4 van de SE-Vo (PbEG 2001, L 294/1), respectievelijk Kamerstukken II 2003/04, 29 309, 7, p. 8 en 16 (NV).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap (hierna: Uitvoeringswet SE), zag in 2005 de eerste wettelijke regeling inzake het monistische bestuursmodel het licht in Nederland.1 In aanvulling op de Verordening betreffende het statuut van de Europese vennootschap (hierna: SE-Vo), bevatten art. 13 en 14 van de Uitvoeringswet SE voorschriften voor niet-uitvoerende bestuurders van een Societas Europaea (hierna: SE) met een statutaire zetel in Nederland.
De Nederlandse wetgever achtte het niet noodzakelijk in een allesomvattende regeling inzake het monistische bestuursmodel voor NV’s te voorzien. De minister was van oordeel dat Nederland reeds voldeed aan het in de SE-Vo gestelde vereiste dat lidstaten de oprichters van een SE de keuze bieden uit een monistische en een dualistische bestuursstructuur. Volgens hem bood de term ‘werkkring’ in het oude art. 2:9 BW, dat via art. 9 van de SE-Vo ook gold voor een Nederlandse SE, hier een aanknopingspunt voor.2