Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/8.5.3
8.5.3 Costello v. Fazio (1955): onderkapitalisatie of onttrekking?
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS407964:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Costello v. Fazio, 256 F.2d 903 (9th Cir. 1958).
“[W]hen we speak of inadequacy of capital in regard to whether loans to shareholders shall be subordinated to claims of general creditors, we are not referring to working capital. We are referring to the amount of the investment of the shareholders in the corporation. This capital is usually referred to as legal capital, or stated capital in reference to restrictions on the declaration of dividends to stockholders.” (Costello v. Fazio, 256 F.2d 903 (9th Cir. 1958), p. 907).
Costello v. Fazio, 256 F.2d 903 (9th Cir. 1958), p. 909 e.v.
Costello v. Fazio, 256 F.2d 903 (9th Cir. 1958), p. 909 e.v.
Gevurtz 2000, p. 152.
“Nor is the fact that the business, after being stripped of necessary capital, was able to survive long enough to have a turnover of creditors a mitigating circumstance. The inequitable conduct of appellees consisted not in acting to the detriment of creditors then known, but in acting to the detriment of present or future creditors, whoever they may be.” (Costello v. Fazio, 256 F.2d 903 (9th Cir. 1958), p. 911).
“Appellees argue that more must be shown than mere undercapitalization if the claims are to be subordinated. Much more than mere undercapitalization was shown here. Persons serving in a fiduciary relationship to the corporation actually withdrew capital already committed to the business, in the face of recent adverse financial experience. They stripped the business of eightyeight per cent of its stated capital at a time when it had a minus working capital and had suffered substantial business losses.” (Costello v. Fazio, 256 F.2d 903 (9th Cir. 1958), p. 910).
Enige tijd na Arnold v. Phillips diende het Court of Appeals (9th Cir.) te oordelen over de casus Fazio v. Costello.1 Deze zaak zag op het faillissement van Leonard Plumbing and Heating Supply Inc (LPHS). In 1948 waren drie vennoten een personenvennootschap aangegaan waarbij zij in totaal bijna 45.000 dollar hadden ingebracht in de vennootschap. Niet lang na het aangaan van de vennootschap besloten de vennoten de onderneming voort te zetten in de vorm van een kapitaalvennootschap. In het kader van de herstructurering onttrokken de drie vennoten nagenoeg hun gehele inbreng in de vennootschap (zij lieten ieder 2000 dollar in de vennootschap). De onttrekking vond plaats doordat de vennootschap schuldbrieven aan de vennoten uitgaf, waarop geen melding werd gemaakt van rente- en aflossingsverplichtingen. De onderneming werd overgenomen door de nieuw opgerichte kapitaalvennootschap LPHS, waarbij de aandeelhouders ieder hun resterende belang van 2000 dollar in de personenvennootschap gebruikten om op de aandelen te storten; de nieuw opgerichte vennootschap had derhalve een kapitaal van 6000 dollar. Daarnaast gingen ook de schulden aan de drie aandeelhouders op de vennootschap over. Toen enige tijd later de vennootschap failleerde, trachtte de curator de leningen uit hoofde van de schuldbrieven achter te stellen bij de overige schuldeisers. Hij voerde daarvoor aan dat de schulden aan de aandeelhouders de facto onderdeel uitmaakten van het risicodragend kapitaal van de vennootschap.
Maar liefst vier deskundigen verschenen voor de rechtbank om hun licht te laten schijnen op de wijze waarop LPHS gefinancierd was. Daarvan meenden er drie dat de financiering van LPHS bij haar oprichting inadequaat was. De 6000 dollar kapitaal was naar hun idee veel te weinig voor de door LPHS ontplooide ondernemingsactiviteiten. Daarnaast stelden deze deskundigen dat reeds ten tijde van de oprichting van de kapitaalvennootschap er erg weinig hoop kon bestaan op financieel succes, nu de onderneming destijds 2000 dollar verlies per maand maakte. Over de omvang van het werkkapitaal ten tijde van de herstructurering bestond wél verschil van mening. Het Court of Appeals overwoog echter dat het begrip onderkapitalisatie niet ziet op het werkkapitaal van de vennootschap, maar op de investering van de aandeelhouders.2 Vervolgens gaf het Court aan dat uit de beschikbare cijfers en de verklaringen van de deskundigen duidelijk bleek dat de vennootschap ernstig was ondergekapitaliseerd. Bovendien hadden de vennoten door de herstructurering 88 procent van het kapitaal aan de onderneming onttrokken.
Het Court of Appeals overwoog: “[D]espite this precarious financial condition, [the partners] withdrew $45,620.78 of the partnership capital – more than eighty-eight per cent of the total capital. The $6,000 capital left in the business was only one-sixty-fifth of the last annual net sales. […] The likelihood that business failure would result from such undercapitalization should have been apparent to anyone who knew the company’s financial and business history and who had access to its balance sheet and profit and loss statements. Three expert witnesses confirmed this view, and none expressed a contrary opinion.”3
Het Court of Appeals oordeelde dat het handelen van de vennoten/aandeelhouders voldoende ‘inequitable’ was om tot achterstelling van de vorderingen van de aandeelhouders over te gaan:
“Where, in connection with the incorporation of a partnership, and for their own personal and private benefit, two partners who are to become officers, directors, and controlling stockholders of the corporation, convert the bulk of their capital contributions into loans, taking promissory notes, thereby leaving the partnership and succeeding corporation grossly undercapitalized, to the detriment of the corporation and its creditors, should their claims against the estate of the subsequently bankrupted corporation be subordinated to the claims of the general unsecured creditors? The question almost answers itself.”4
Gevurtz heeft erop gewezen dat er in het faillissement van LPHS geen schuldeisers waren waarvan de vordering dateerde van voor de herstructurering.5 Het Court of Appeals overwoog dat dat niet aan de achterstelling in de weg stond, nu het handelen nadelig was voor zowel ten tijde van de herstructurering bestaande, als toekomstige crediteuren.6 Gevurtz meent daarentegen dat er geen reden was om tot achterstelling over te gaan nu alle schuldeisers ten tijde van hun kredietverstrekking op de hoogte hadden kunnen zijn van de nieuwe kapitaalstructuur van de vennootschap en de daarmee samenhangende risico’s.
Een aantal rechters en juridische auteurs verbindt aan de uitspraak inzake Costello v. Fazio de conclusie dat onderkapitalisatie op zichzelf voldoende is voor achterstelling. Deze conclusie lijkt echter misplaatst. Tijdens de procedure is expliciet het verweer gevoerd dat voor achterstelling meer nodig is dan louter onderkapitalisatie. Het Court of Appeals laat de vraag of deze stelling juist is weliswaar onbeantwoord, maar overweegt dat in de onderhavige casus sprake was van ander inequitable handelen dan louter onderkapitalisatie.7 Het Court of Appeals legt de nadruk op de vermogensonttrekking die de herstructurering meebracht. Uit de uitspraak volgt dus niet dat onderkapitalisatie zonder meer tot achterstelling leidt. Wel is en blijft het een belangrijke factor.