Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/2.4
2.4 Gemeenschap en verdeling naar Belgisch recht
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS343143:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Sagaert 2014, nr. 323; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 1.
Sagaert 2014, nr. 323; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 1; De Page & Dekkers 1975, nr. 1136.
Sagaert 2014, nr. 323, 324; Snaet & Verbeke 2011, p. 47; Dekkers/Dirix 2005, nr. 271; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 2; Cass. 30 juni 1988, Arr. Cass. 1987-1988, nr. 680, p. 1445.
Sagaert 2014, nr. 323; Dekkers/Dirix 2005, nr. 273; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 6.
Sagaert 2014, nr. 323; Dekkers/Dirix 2005, nr. 275; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 7.
Sagaert 2014, nr. 324; Dekkers/Dirix 2005, nr. 280.
Sagaert 2014, nr. 324; Snaet & Verbeke 2011, p. 47; Dekkers/Casman 2010, nr. 621.
Sagaert 2014, nr. 327; Dekkers/Dirix 2005, nr. 277.
Sagaert 2014, nr. 327; Dekkers/Casman 2010, nr. 624.
Sagaert 2014, nr. 327; Dekkers/Dirix 2005, nr. 277.
Sagaert 2014, nr. 328; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 3.
Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 3.
Sagaert 2014, nr. 328; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 3.
Sagaert 2014, nr. 328; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 3.
Sagaert 2014, nr. 328; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 11.
Sagaert 2014, nr. 365; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 4; De Page & Dekkers 1975, nr. 1136.
Sagaert 2014, nr. 365; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 4; De Page & Dekkers 1975, nr. 1136.
Vananroye 2015, p. 153.
Sagaert 2014, nr. 349; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 5; De Page & Dekkers 1975, nr. 1136.
Sagaert 2014, nr. 349; Snaet & Verbeke 2011, p. 59; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 5; De Page & Dekkers 1975, nr. 1136.
Voor een historische beschouwing zie Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 50.
Snaet & Verbeke 2011, p. 59; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 5.
Snaet & Verbeke 2011, p. 59.
Sagaert 2014, nr. 349.
Sagaert 2014, nr. 323, 353.
Vananroye 2015, p. 153; Sagaert 2014, nr. 351, 353.
Jansen 2009, nr. 293; Storme 2004, p. 657.
Casman 1997, (3) 4-5, nr. 2-3; Storme 1998, p. 795-796; Jansen 2009, nr. 291, 293.
Jansen & Storme 2007, nr. 9: ‘In het Belgische recht bestaat er een numerus clausus aan boedelgemeenschappen. De regel van de in natura-verdeling geldt in ieder geval voor de nalatenschap, de huwgemeenschap, de maatschap en de feitelijke vereniging. (…) Houden deelgenoten meerdere goederen aan zonder dat ze vallen in een van deze categorieën, dan gaat het om evenveel zaakgemeenschappen als er onverdeelde goederen zijn [cursivering bij de auteurs, THS].’
Jansen 2009, nr. 291.
Uit art. 577-2, §8 BBW volgt dat de verdeling van een gemeenschappelijke zaak is onderworpen aan de regels zoals vermeld in de titel ‘Erfenissen’. Deze titel heeft betrekking op art. 718 e.v. BBW, waaronder art. 815 BBW en art. 883 BBW. Zie ook: Sagaert 2014, nr. 338; Dekkers/Dirix 2005, nr. 289; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 26.
Sagaert 2014, nr. 365; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 29.
Volgens de klassieke leer wordt de toepassing van art. 815 BBW beperkt tot de zogenaamde toevallige mede-eigendom (Sagaert 2014, nr. 355; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 50; De Page & Dekkers 1975, nr. 1165B). In afwijking van de klassieke opvatting wordt ook wel verdedigd dat art. 815 BBW behalve op de toevallige mede-eigendom eveneens toepasselijk is op de vrijwillige mede-eigendom (Sagaert 2014, nr. 355; Vananroye 2015, p. 153). In een beslissing van het Hof van Cassatie uit 2013 (Cass. 20 september 2013, C.08.0018.F/214) wordt een bevestiging van de klassieke leer gelezen op grond waarvan de toepasselijkheid van art. 815 BBW wordt beperkt tot toevallige mede-eigendom (Sagaert 2014, nr. 355; Vananroye 2015, p. 152-153).
Sagaert 2014, nr. 330, 343, 344; Snaet & Verbeke 2011, p. 68, 69; Puelinckx-Coene e.a. 2005, nr. 272; Vandenberghe & Snaet 1997, nr. 26. Zie anders: Pintens e.a. 2010, nr. 2239-2241; Dekkers/Casman 2010, nr. 729 e.v.; Dekkers/Dirix 2005, nr. 292, 294, waarin wordt betoogd dat verdeling een ruil van aandelen inhoudt, zodat deze translatief werkt.
Volgens een moderne opvatting over de inhoud van met verdeling gelijk te stellen handelingen, is daarvan sprake indien alle deelgenoten bij deze rechtshandeling betrokken zijn en ten gevolge van de uitvoering daarvan het aantal deelgenoten afneemt. Zie: Snaet & Verbeke 2011, p. 69; Dekkers/Casman 2010, nr. 736-737; Puelinckx-Coene e.a. 2005, nr. 271. De moderne opvatting onderscheidt zich van de klassieke opvatting door naast het criterium dat ten gevolge van de handeling het aantal deelgenoten ten opzichte van het verdeelde goed moet dalen, eveneens te eisen dat alle deelgenoten daartoe medewerken. Zie hierover: De Decker 2012, p. 86. Zie ook: Cass. 15 januari 1847, Pas. 1847, I, p. 502 e.v.; Cass. 6 juni 1850, Pas. 1851, I, p. 144 e.v. voor een bevestiging van de hier bedoelde klassieke leer.
Sagaert 2014, nr. 343-344; Dekkers/Casman 2010, nr. 730-731; Dekkers/Dirix 2005, nr. 294.
Jansen 2009, nr. 295; Jansen & Storme 2007, nr. 7; Storme 2004, p. 663-664.
Jansen 2009, nr. 295-296; Casman 1997, nr. 2-3; Storme 2004, p. 665.
Storme 2004, p. 665. Zie ook Vananroye 2014, p. 245.
Jansen 2009, nr. 295; Storme 2004, p. 665; Casman 1997, nr. 9.
Jansen 2009, nr. 295.
Jansen & Storme 2007, nr. 11; Storme 1998, nr. 144; Vananroye 2014, p. 245. Anders: Cass. 9 september 1994, Arr. Cass. 1994, nr. 366 (Molenaers I).
Zie ook: Cass. 9 september 1994, Arr. Cass. 1994, nr. 366 (Molenaers I); Cass. 22 december 2006, RW 2006-2007 m.nt. S. Mosselmans, p. 1411 e.v. (Molenaers II)
Vananroye 2014, p. 245.
Storme 2004, p. 665. Zie ook Vananroye 2014, p. 245.
Vergelijk Storme 2004, p. 664-666.
Jansen 2009, nr. 296; Vananroye 2014, p. 245; Snaet & Verbeke 2011, p. 52. Jansen & Storme 2007, nr. 9: ‘Als een derde immers enkel aandelen heeft in één van de goederen van de nalatenschap, dan kan er namelijk geen ‘ruil van aandelen in natura’ plaatsvinden, maar hoogstens de ‘ruil van aandelen tegen geld’.’
Zie art. 826 BBW voor nalatenschappen en – via art. 577-2, §8 BBW – voor de gewone mede-eigendom en gedwongen mede-eigendom in het algemeen. Zie ook: Jansen 2009, nr. 296; Jansen & Storme 2007, nr. 9; Pintens e.a. 2010, nr. 2205 e.v.
Bij verdeling van een (zaaks)gemeenschap bestaande uit één goed is het niet mogelijk aan alle deelgenoten in natura toe te delen, tenzij het goed materieel splitsbaar is. Zie ook Jansen 2009, nr. 296.
De regel dat het recht om verdeling in natura te vorderen uitsluitend toekomt aan de oorspronkelijke deelgenoten is bevestigd door het Hof van Cassatie in Cass. 22 december 2006, RW, 2006-2007 m.nt. S. Mosselmans, r.o. 13, p. 1411: ‘In afwachting van de vereffening-verdeling, die enkel kan plaatshebben tussen de mede-erfgenamen, kan de koper [niet-deelgenoot, THS] van een onverdeeld aandeel bij de vereffening-verdeling geen rechten als deelgenoot laten gelden op het verkochte goed. De koper kan wel, als schuldeiser van de verkoper, toezien op de verdeling, met toepassing van art. 882 B.W. Ingevolge de voorwaardelijke verkoop verwerft koper de hoedanigheid van schuldeiser van de erfgenaam-verkoper, zonder als nieuwe mede-eigenaar in zijn plaats te treden als deelgenoot.’ In Jansen & Storme 2007, nr. 11 betogen de auteurs in reactie op de door het Hof van Cassatie aangenomen ‘voorwaardelijke verkoop’ dat zij het rechtstheoretisch zuiverder vinden om de koop verbintenisrechtelijk geldig te verklaren. Nu de verkopende deelgenoot niet bevoegd is te beschikken over aandelen in afzonderlijke goederen van de boedelgemeenschap, dient ten gevolge van het feit dat de koper van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen op die grond het goederenrechtelijke effect aan de uitvoering van de koop te worden onthouden. Zie ook: Storme 2004, p. 665-666; Vananroye 2014, p. 245; Snaet & Verbeke 2011, p. 51.
Jansen 2009, nr. 298.
Snaet & Verbeke 2011, p. 52; Jansen 2009, nr. 339.
Snaet & Verbeke 2011, p. 52; Jansen 2009, nr. 339.
Storme 2004, p. 664.a
In het Belgische recht worden de verschillende gevallen waarin meerdere personen tot dezelfde zaak zijn gerechtigd aangeduid met het begrip ‘meervoudige eigendom’.1 Meervoudige eigendom kan worden onderscheiden in de categorieën mede-eigendom, collectieve eigendom en multi-eigendom.2 Deze categorieën zullen hierna kort worden geduid, waarna vervolgd zal worden met de bespreking van de voor deze studie meest relevante categorie, de mede-eigendom.
Bij mede-eigendom is er sprake van een opsplitsing van het eigendomsrecht tussen meerdere personen, de mede-eigenaren, die een aanspraak hebben op een aandeel in de mede-eigendom.3 Bij collectieve eigendom is er geen sprake van opsplitsing van het eigendomsrecht, maar is er één onverdeeld eigendomsrecht, dat toebehoort aan de gehele groep van eigenaren.4 Onder multi-eigendom wordt verstaan de zogenaamde deeltijdse eigendom of timesharing.5
Naar Belgisch recht kan mede-eigendom worden gedefinieerd als ‘de rechtstoestand die ontstaat door opsplitsing van het eigendomsrecht tussen meerdere personen, de mede-eigenaars, die elk slechts op een aandeel in de mede-eigendom aanspraak kunnen maken’.6 Het hier bedoelde aandeel wordt opgevat als aandeel in abstract-mathematische zin.7 Onderscheiden worden verschillende vormen van mede-eigendom.8 Voor elk van deze vormen van mede-eigendom geldt in beginsel een ander regime. Gebruikelijk worden deze vormen onderscheiden aan de hand van het zogenaamde oorsprongscriterium.9 Uitgaande van de oorsprong van de onverdeeldheid worden de volgende vormen onderscheiden: toevallige mede-eigendom, gedwongen mede-eigendom en vrijwillige mede-eigendom.10
De toevallige of gewone mede-eigendom komt tot stand door een toevallige gebeurtenis.11 Deze vorm van mede-eigendom ontstaat zonder dat de deelgenoten de totstandkoming van de onverdeeldheid nastreven; de onverdeeldheid dringt zich als het ware op.12 Van deze vorm van mede-eigendom wordt wel gesteld dat deze van tijdelijke en ongeorganiseerde aard is.13 Het tijdelijke element ziet op de eigenschap dat deze vorm van verdeling doorgaans een overgangskarakter kent, terwijl het ongeorganiseerde element ziet op het feit dat de deelgenoten geen regeling hebben kunnen treffen om daarover hun wederzijdse rechten en verplichtingen te bepalen.14 De toevallige of gewone mede-eigendom is geregeld in art. 577-2, §1-§8 BBW en heeft bijvoorbeeld betrekking op de nalatenschap en de ontbonden huwelijksgemeenschap.15
Gedwongen mede-eigendom is een vorm van mede-eigendom waarbij de aard en de bestemming van de gemeenschappelijke goederen het gedwongen karakter met zich brengen.16 Deze vorm van mede-eigendom is van een niet-tijdelijke aard en in zekere mate georganiseerd.17 De gedwongen mede-eigendom kent een algemene regeling in art. 577-2, §9-§10 BBW en daarnaast nog een aantal specifieke voor gedwongen mede-eigendom geschreven bepalingen. Een voorbeeld van deze vorm van mede-eigendom is de appartementsmedeeigendom (art. 577-3 e.v. BBW).
De vrijwillige mede-eigendom, ook wel aangeduid als conventionele of vrijwillige onverdeeldheid,18 wordt gekenmerkt door een totstandkoming op vrijwillige basis.19 Het gaat hier om een door partijen beoogde en in het kader daarvan georganiseerde vorm van mede-eigendom.20 In het Belgisch Burgerlijk Wetboek wordt de vrijwillige mede-eigendom niet als een afzonderlijke vorm van mede-eigendom behandeld.21 Vergeleken met de toevallige of gewone mede-eigendom kan dit worden verklaard uit het feit dat bij de vrijwillige mede-eigendom deelgenoten vooraf wel een regeling hebben kunnen treffen, bijvoorbeeld door middel van het maken van onderlinge afspraken in een zogenaamde akte van onverdeeldheid.22 Verdedigd wordt dat de regels van de toevallige mede-eigendom analoog kunnen worden toegepast op de vrijwillige mede-eigendom voor zover gemaakte afspraken niet strijden met een dergelijke toepassing.23 Ook is de vrijwillige mede-eigendom onderworpen aan de regels van het contractenrecht, daar de overeenkomst van onverdeeldheid kwalificeert als overeenkomst in de zin van art. 1101 BBW.24 Als voorbeelden van vrijwillige mede-eigendom kunnen worden genoemd: de actieve huwelijksgemeenschap, de actieve gemeenschap van maatschap (welke laatste zowel als vorm van collectieve eigendom als van vrijwillige mede-eigendom kan worden beschouwd)25 en de gemeenschap van een zaak.26
Gemeenschappen kunnen naar Belgisch recht eveneens worden onderscheiden in boedelgemeenschappen en zaaksgemeenschappen (in Belgische literatuur zonder tussen-s ook wel zaakgemeenschappen genoemd).27 Als boedelgemeenschap wordt aangemerkt een algemeenheid van goederen, terwijl als zaaksgemeenschap heeft te gelden de gemeenschap van een afzonderlijk goed ‘ut singuli’.28 Bij een boedelgemeenschap kunnen één of meer verschillende goederen gemeenschappelijk zijn, terwijl bij een zaaksgemeenschap slechts één goed gemeenschappelijk kan zijn.29 Voor beide gemeenschappen geldt dat daarin aandelen zijn te onderscheiden, met dien verstande dat bij de boedelgemeenschap sprake is van aandelen waarover in beginsel niet kan worden beschikt, terwijl bij de zaaksgemeenschap in beginsel onbeperkt over aandelen kan worden beschikt.30
Op grond van het bepaalde in art. 815 BBW kan niemand worden genoodzaakt in een onverdeeldheid te blijven en kan de verdeling van de onverdeeldheid te allen tijde worden gevorderd, behoudens een daarmee strijdige bepaling of overeenkomst. Het bepaalde in art. 815 BBW is van toepassing op de toevallige of gewone mede-eigendom.31 Bij gedwongen mede-eigendom kan geen verdeling worden gevorderd, noch door deelgenoten nog door hun crediteuren.32 Ook voor vrijwillige mede-eigendom wordt verdedigd dat art. 815 BBW daarop niet van toepassing is.33
Op grond van art. 883 BBW wordt de verkrijger geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die hij in het kader van verdeling heeft verkregen; hij wordt geacht nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad. Dit gevolg wordt wel toegeschreven aan de declaratieve werking van de verdeling.34 Deze declaratieve werking treedt niet alleen op in het kader van verdeling maar ook in het kader van met verdeling gelijk te stellen handelingen.35
De meningen lopen uiteen over de vraag of met declaratieve werking en terugwerkende kracht hetzelfde wordt bedoeld of dat deze van elkaar kunnen worden onderscheiden. Zo wordt verdedigd dat de declaratieve werking zowel als de terugwerkende kracht betrekking hebben op beschikkingen over aandelen in de gemeenschap in relatie tot gedurende de periode van onverdeeldheid ontstane rechten van derden.36 Ook wordt verdedigd dat dit laatste voortvloeit uit de terugwerkende kracht, terwijl de declaratieve werking moet worden gezien in de voortzetting van de titel waaronder de deelgenoten het goed gezamenlijk hielden.37 Uitgaande van het onderscheid tussen boedelgemeenschappen en zaaksgemeenschappen zou de terugwerkende kracht in dat verband enkel van toepassing kunnen zijn op boedelgemeenschappen.38
De opvatting dat de van de declaratieve werking te onderscheiden terugwerkende kracht alleen van toepassing kan zijn op de boedelgemeenschap, kan worden verklaard tegen de achtergrond van de mogelijkheid om al dan niet bevoegd over een aandeel in (een goed van) de gemeenschap te kunnen beschikken.39
Voor de zaaksgemeenschap kan worden aangenomen dat de in beginsel onbeperkte beschikkingsbevoegdheid ertoe leidt dat art. 883 BBW op de verdeling van toepassing is, maar dat de verdeling uitsluitend declaratief werkt en niet tevens terugwerkende kracht heeft.40 Hiermee wordt bedoeld uit te drukken dat beschikkingen over aandelen in de zaaksgemeenschap gedurende de periode van onverdeeldheid en de daaruit ontstane rechten van derden worden geëerbiedigd, maar dat de uiteindelijke verkrijger van het goed krachtens verdeling na de verdeling het goed houdt onder de titel waaronder de deelgenoten het goed voor de verdeling hielden.41
Voor de boedelgemeenschap geldt dat zonder instemming van de andere deelgenoten niet door een deelgenoot over zijn aandeel in een afzonderlijk goed kan worden beschikt.42 Deze beschikkingsonbevoegdheid over een aandeel in een afzonderlijk goed moet worden aangenomen ondanks de mogelijkheid van vrije overdraagbaarheid van aandelen op grond van het bepaalde in art. 577-2, §4 BBW.43 Wat echter door de wetgever met de ene hand aan vrije overdraagbaarheid wordt verleend, wordt door hem met de andere hand door de terugwerkende kracht van de verdeling teruggenomen.44 Het is de terugwerkende kracht waarachter het beginsel van de onbevoegdheid om over aandelen in de afzonderlijke goederen van een boedelgemeenschap te beschikken schuil gaat.45 Daarmee is de beschikkingsonbevoegdheid over deze aandelen in dit verband het leidende beginsel geworden.46 Met dit beginsel wordt ook voorkomen dat door afzonderlijke beschikkingen door deelgenoten het aantal tot de gemeenschap gerechtigde deelgenoten wordt vergroot, waarmee een verdeling wordt bemoeilijkt.47 Het bemoeilijken van de verdeling hangt samen met het recht om verdeling in natura te vorderen.48 Dit aan alle deelgenoten toekomende recht op verkrijging in natura doet zich enkel voor bij de boedelgemeenschap; bij de zaaksgemeenschap, waarbij slechts één goed gemeenschappelijk is, kan daarvan in beginsel geen sprake zijn.49 Het recht om verdeling in natura te vorderen komt daarnaast uitsluitend toe aan de oorspronkelijke deelgenoten.50 Verdedigd wordt dat om deze reden de terugwerkende kracht reeds werkt tijdens de verdeling doordat op grond daarvan het recht om verdeling in natura te vorderen aan een niet-oorspronkelijke deelgenoot wordt onthouden.51
Wel kan een tot een boedelgemeenschap gerechtigde deelgenoot over zijn volledige aandeel in een onverdeelde boedel beschikken.52 Dit strookt met de bevoegdheid tot overdracht van een ‘universaliteit van rechten en plichten’ op grond van art. 1696 BBW. Het probleem van de uitbreiding van mede-gerechtigden tot de boedel wordt als minder significant beschouwd als in het geval per goed over een aandeel zou worden beschikt.53 Nu in dit verband het bevoegd zijn om te beschikken als leidend beginsel heeft te gelden en de grond voor de aanname van de zogenaamde terugwerkende kracht is gelegen in de onbevoegdheid daartoe, kan worden aangenomen dat aan de hier bedoelde handelingen deze terugwerkende kracht dient te worden onthouden.54