De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.3.4.1:3.3.4.1 Inbreng van juridische eigendom
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.3.4.1
3.3.4.1 Inbreng van juridische eigendom
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383402:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Zeben 1991, p. 1299, bij art. 3:186 BW.
Reehuis 2004, p. 45.
HR 28 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0766, r.o. 3.5, NJ 1990/252 (Van Essen/Nederlandsche Middenstandsbank).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vennoot die de juridische eigendom van een goed inbrengt, moet het goed overdragen aan de gezamenlijke vennoten. Hij hoeft daarbij niet nogmaals aan zichzelf te leveren. Voor de inbreng is, naast beschikkingsbevoegdheid van de inbrenger, een levering van het goed krachtens geldige titel vereist (art. 3:84 lid 1 BW). De titel tot levering wordt gevormd door de vennootschapsovereenkomst waarin partijen zich jegens elkaar hebben verbonden om bepaalde goederen in te brengen. De levering is de uitvoeringshandeling die bewerkstelligt dat de beoogde verkrijgers (de gezamenlijke vennoten) daadwerkelijk verkrijgen en de wijze van levering hangt af van het goed.1 De vennoten kunnen onderling afspreken hoe en wanneer geleverd wordt.
Voor de inbreng van roerende zaken, niet-registergoederen die zich in de macht van de inbrenger bevinden, eist art. 3:90 BW dat de inbrenger aan de VOF het bezit van de zaak verschaft. Een wijze van bezitsverschaffing als bedoeld in art. 3:90 BW is de bezitsoverdracht op de voet van art. 3:114 BW,2 waarbij de inbrenger de VOF in staat moet stellen om de macht uit te oefenen die hij zelf over het goed kon uitoefenen. Voor het verschaffen van medebezit (bij mede-eigendom) aan de verkrijgers hoeft niet iedere medebezitter de zaak feitelijk onder zich te krijgen.3
Voor de levering van onroerende zaken en andere registergoederen is op grond van art. 3:89 BW een tussen partijen opgemaakte notariële akte vereist; alle verkrijgers moeten hieraan meewerken, maar kunnen daarbij vertegenwoordigd worden door een of meer van hen. Aandelen op naam in een BV of NV worden ingebracht door middel van een daartoe bestemde notarieel verleden akte, waarbij zowel de inbrenger als de VOF partij zijn (art. 2:86 resp. 2:196 BW). Ook nu kunnen zij vertegenwoordigd worden door een of meer van hen. Voor de inbreng van vorderingen op naam zijn vereist een akte van levering en mededeling van de overdracht aan de schuldenaar óf een authentieke of onderhandse geregistreerde akte zonder mededeling aan de schuldenaar (art. 3:94 lid 1 resp. lid 3 BW). Voor de levering in ‘andere gevallen’ is volgens art. 3:95 BW een daartoe bestemde akte vereist.
Op de inbreng van juridische eigendom van een goed zijn de bepalingen over koop van toepassing, voor zover de aard van de rechtsverhouding zich daartegen niet verzet (art. 7A:1662 lid 2 BW). De inbrengende vennoot wordt gezien als verkoper en de VOF als koper. Dit betekent onder meer dat het risico pas overgaat bij aflevering (art. 7:10 BW); dit is het moment waarop de zaak in het bezit van de gezamenlijke vennoten is gesteld (art. 7:9 lid 2 BW). Rijdt de inbrenger de beloofde bedrijfsauto vóór de aflevering in de prak, dan is het risico voor hem; gebeurt dit ná aflevering, dan is het risico in beginsel voor de VOF.