Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.4.3
12.1.4.3 Transactiewaarde van ingevoerde goederen bij intragroepstransacties
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258321:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Commentary 23.1. Examination of the expression “circumstances surrounding the sale” under Article 1.2 (a) in relation to the use of transfer pricing studies. (Adopted, 31st Session, 29 October 2010, VT0774E1c).
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018).
Case study 14.1. Use of transfer pricing documentation when examining related party transactions under Article 1.2 (a) of the Agreement. (Adopted, 42 Session, 22 April 2016 VT0920E1c).
HvJ EU 20 december 2017, nr. C-529/16 (Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt München), ECLI:EU:C:2017:984.
In beginsel wordt de douanewaarde vastgesteld aan de hand van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. Aan de toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen zijn een aantal voorwaarden verbonden. Een van de voorwaarden houdt in dat indien een prijs tot stand komt tussen verbonden partijen (onderdeel 7.5.5.2), deze enkel als transactiewaarde mag worden gebruikt indien de prijs niet door de verbondenheid is beïnvloed (onderdeel 7.5.5). Als twijfels bestaan over of de prijs door de verbondenheid is beïnvloed, stellen de douaneautoriteiten de aangever in de gelegenheid om informatie te overleggen. De aangever toont ten genoegen van de douaneautoriteiten aan dat geen sprake is van prijsbeïnvloeding als zulks volgt uit een onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop (onderdeel 7.5.5.3) of als hij aantoont dat de aangegeven transactiewaarde een van de testwaarden zeer dicht benaderd (onderdeel 7.5.5.4). Door de stringente voorwaarden die aan de testwaarden worden gesteld, zijn deze in de praktijk vaak niet voorhanden, waardoor het onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop overblijft als methode om aan te tonen dat de prijs niet door de verbondenheid is beïnvloed.
In het kader van het onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop is niet vast omkaderd welke informatie aangeleverd moet worden om de twijfels over of de verbondenheid invloed heeft gehad op de aangegeven transactiewaarde weg te nemen. Uit punt 3 van de Aantekening bij artikel 1, lid 2, CVA volgt wel dat uit deze informatie moet blijken op welke wijze de koper en de verkoper hun handelsbetrekkingen georganiseerd hebben en op welke wijze de desbetreffende prijs tot stand is gekomen. In dezelfde aantekening worden een drietal omstandigheden genoemd waarbij mag worden aangenomen dat geen sprake is prijsbeïnvloeding (onderdeel 7.5.5.3).
Voor de invulling van het onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop c.q. ter beantwoording van voornoemde vragen, wordt in de praktijk in de regel gebruik gemaakt van verrekenprijsdocumentatie. In verrekenprijsdocumentatie wordt uiteengezet op welke wijze zakelijke prijzen tot stand komen bij transacties tussen gelieerde partijen om de eerlijke verdeling van winsten ten behoeve van de winstbelasting te garanderen. Zowel bij de vaststelling van interne verrekenprijzen alsook bij de transactiewaarde bij verbonden partijen is het doel om een prijs vast te stellen die ook vastgesteld zou zijn tussen twee onafhankelijke derden. De vaststelling van interne verrekenprijzen en de vaststelling van de douanewaarde verschillen echter. Zij hebben namelijk een andere achtergrond (onderdeel 10.3.3), de aangelegde vergelijkingsanalyse en gebruikte prijsmethoden verschillen (onderdelen 10.3.4 en 10.3.6), interne verrekenprijzen kunnen op geaggregeerd niveau worden vastgesteld waar transactiewaarden op transactie- en productniveau worden vastgesteld (onderdeel 10.3.5) en er wordt verschillend omgesprongen met prijsaanpassingen (onderdeel 10.3.7). De verschillen zijn in de praktijk in toenemende mate overbrugbaar, met name omdat technologische ontwikkelingen marktdeelnemers in staat stelt om interne verrekenprijzen op product- en transactieniveau vast te stellen (onderdeel 10.3.9).
Ondanks deze verschillen is het wenselijk, gelet op het toetsingskader, om de vaststelling van interne verrekenprijzen en de transactiewaarde zoveel als mogelijk op elkaar te laten aansluiten (onderdeel 10.2.2). Er ligt immers aan de vaststelling van interne verrekenprijzen en de douanewaarde een zakelijkheidstoets ten grondslag. Daarnaast verkleint de eliminatie van verschillen het risico op de vaststelling van arbitraire en fictieve waarden, waarmee de neutraliteit van het stelsel wordt geborgd. Een nadere afstemming vergroot daarnaast de eenvoud van de vaststelling van interne verrekenprijzen en de douanewaarde. Ook zou een en ander aansluiten bij bestaande handelspraktijken waarbij marktdeelnemers reeds gebruikmaken van verrekenprijsdocumentatie om aan te tonen dat de gebruikte transactiewaarde niet is beïnvloed door de verbondenheid van partijen. Tot slot verkleint afstemming de kans dat douaneautoriteiten achteraf de aangegeven transactiewaarde in twijfel trekken en overgaan tot navordering en oplegging van eventuele sancties. Dat maakt dat afstemming ook leidt tot een rechtvaardiger systeem. De nadere afstemming brengt naar mijn mening ook met zich dat interne verrekenprijsaanpassingen in aanmerking genomen moeten worden voor het definitief vaststellen van de douanewaarde, omdat daarmee wordt gewaarborgd dat de transactiewaarde de economische waarde van de ingevoerde goederen reflecteert. Een en ander onder voorwaarden dat de interne verrekenprijsaanpassing betrekking heeft op de ingevoerde goederen, invloed heeft op de werkelijk betaalde of te betalen prijs en de aanpassing binnen de verjaringstermijn plaatsvindt (onderdeel 10.3.7.5).
Zowel in internationaal als Europeesrechtelijk verband zijn er geen bindende bepalingen opgenomen waaruit volgt in hoeverre verrekenprijsdocumentatie gebruikt kan worden om aan te tonen dat geen sprake is van prijsbeïnvloeding en op welke wijze moet worden omgegaan met interne verrekenprijsaanpassingen voor het definitief vaststellen van de douanewaarde. Diverse juridisch niet-bindende instrumenten van de Technische commissie douanewaarde van de WDO geven echter richting in hoeverre verrekenprijsdocumentatie gebruikt kan worden. Zo volgt uit de publicatie van Commentary 23.11, het rapport Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing2 en Case Study 14.13 dat verrekenprijsanalyses, ook wanneer zij gebaseerd zijn op een transactionele winstmethode, waardevol kunnen zijn voor het bepalen of sprake is van prijsbeïnvloeding (onderdeel 10.4.2.3). Daarnaast wordt in de Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing aangegeven dat het wettelijk kader van de CVA voorzieningen biedt om interne verrekenprijsaanpassingen in aanmerking te nemen voor het definitief vaststellen van de douanewaarde (onderdeel 10.4.2.4). Er wordt echter geen definitief oordeel gegeven over of en wanneer interne verrekenprijsaanpassingen in aanmerking genomen moeten worden. In Canada, de Verenigde Staten en Zuid-Korea is beleid vastgesteld en/of zijn wettelijke bepalingen geformuleerd waaruit volgt wanneer en op welke wijze interne verrekenprijs(aanpassingen) in aanmerking genomen kunnen c.q. moeten worden voor het definitief vaststellen van de douanewaarde (onderdeel 10.4.3). In de Europese Unie is geen beleid of wettelijke bepaling in het DWU-wetgevingspakket opgenomen waaruit volgt op welke wijze interne verrekenprijs(aanpassingen) in aanmerking genomen moeten worden voor het definitief vaststellen van de douanewaarde. Er zijn hierover wel enkele arresten door het Hof van Justitie gewezen onder Verordening (EEG) nr. 803/68, maar die lijken thans niet meer toepasbaar, omdat de douanewaarde onder voornoemde verordening werd vastgesteld op basis van de theoretische waarde conceptie in plaats van de positieve waarde conceptie (onderdeel 10.5.3.2). Daarnaast zijn er nog een aantal nationale rechtszaken over dit onderwerp gewezen, waaruit volgt dat rechterlijke instanties in verschillende EU-lidstaten er elk een andere opvatting op nahouden (onderdeel 10.5.3.3). In december 2017 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de inmiddels beruchte zaak Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt München (onderdeel 10.5.3.4).4 Het Hof van Justitie heeft in voornoemde zaak geoordeeld dat de douanewaarde niet kan worden gebaseerd op een overeengekomen transactiewaarde die bestaat uit deels een aanvankelijk in rekening gebracht en aangegeven bedrag en deels een forfaitaire correctie daarop na afloop van het afrekeningstijdvak, zonder dat het mogelijk is te weten of aan het einde van het afrekeningstijdvak deze correctie naar boven of naar beneden zal plaatsvinden (onderdeel 10.5.3.4.2). Het arrest kan op verschillende manieren gelezen worden (onderdelen 10.5.3.4.3, 10.5.3.4.4 en 10.5.3.4.5) en lijkt nog ruimte te bieden om interne verrekenprijsdocumentatie te gebruiken om aan te tonen dat geen sprake is van prijsbeïnvloeding. Het retroactief in aanmerking nemen van interne verrekenprijsaanpassingen voor het definitief vaststellen van de douanewaarde nadat een normale invoeraangifte is ingediend lijkt echter niet mogelijk, omdat daarvoor de wettelijke grondslag ontbreekt (onderdeel 10.5.4.2).
Het DWU-wetgevingspakket lijkt, wanneer een normale invoeraangifte wordt ingediend, thans niet de mogelijkheid te bieden om retroactieve interne verrekenprijsaanpassingen in aanmerking te nemen (onderdeel 10.5.4.2). Dit kan wel wanneer een vereenvoudigde aangifte wordt ingediend, hoewel beleid omtrent het in aanmerking nemen van retroactieve interne verrekenprijsaanpassingen thans ontbreekt (onderdeel 10.5.4.3). Een andere vereenvoudiging, de forfaitaire waarde vaststelling (artikel 73-vergunning), kan worden gebruikt als de werkelijk betaalde of te betalen prijs of de prijselementen zoals genoemd in de artikelen 71 en 72 DWU niet meetbaar zijn. Een artikel 73-vergunning lijkt echter slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toepassing te kunnen vinden in het geval de douanewaarde op grond van interne verrekenprijzen tot stand komt (onderdeel 10.5.4.4). Tot slot biedt het DWU-wetgevingspakket met de BWI (onderdeel 10.5.4.5) een voorziening om vooraf zekerheid te krijgen over op welke wijze de transactiewaarde op basis van interne verrekenprijzen vastgesteld kan worden. Daarvoor lijkt het noodzakelijk dat eerst nadere bepalingen in de GDWU en UDWU worden opgenomen, omdat dat thans lijkt te verhinderen dat lokale douaneautoriteiten in EU-lidstaten overgaan tot afgifte van een BWI. In onderdeel 12.2.3 worden de aanbevelingen geformuleerd om de vaststelling van prijzen bij intragroepstransacties vanuit een douanewaarde en verrekenprijsperspectief nader op elkaar af te stemmen.