Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/2.5.2.3
2.5.2.3 De derde LBO-golf:‘the golden age of private equity’
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403496:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kaplan en Strömberg 2009, p. 126-127.
Volgens Kaplan en Strömberg vond gedurende de eerste LBO- golf 89 procent van de LBO’s plaats in de VS, het VK of Canada (Kaplan & Strömberg 2009, p. 7).
De Jong e.a. 2007, p. 19.
Vlg. Ernst & Young, German Private Equity Activity 2007, December 2007, p. 7. Zie voor meer empirische gegevens over LBO’s in Duitsland: Schalast & Stalkowski 2008.
Ernst & Young, German Private Equity Activity 2007, December 2007, p. 12. De debt/EBITDA ratio is een in de praktijk veel gehanteerd kengetal om de schuldpositie van de vennootschap in uit te drukken. Deze ratio geeft de verhouding weer tussen het vreemd vermogen en de EBITDA (zie par. 2.3.1).
Axelson, Jenkinson, Strömberg & Weisbach 2010, p. 33 en Sheel & Ganguly 2008, p. 46. De lage rente was mede het gevolg van het monetaire beleid van de Amerikaanse Federal Reserve Bank, geleid door Alan Greenspan, om bij crises en beursdalingen stelselmatig de rente te verlagen; ook wel aangeduid als de ‘Greenspan put’ (zie Stiglitz 2010, p. 136).
Kaemingk 2008, p. 374-379 en Viëtor & Van der Zanden 2008, p. 167.
Frijns & Maatman 2007, p. 73.
Zo schrijft Visser in 2005 over de situatie in Nederland: “Er is momenteel veel geld beschikbaar voor leveraged financieringen en de concurrentie tussen de banken om deze financieringen aan te bieden, is groot. Gevolg is dat banken constant bezig zijn met het maken van berekeningen om te zien hoe ze zoveel mogelijk vreemd vermogen ter beschikking kunnen stellen. Hoe meer vreemd vermogen een bank aanbiedt, hoe groter de kans is dat de participatiemaatschappij haar het mandaat om de financiering te verzorgen, zal verstrekken.” (Visser 2005, nr. 2).
In dit verband heeft in het bijzonder de opkomst van de Collateralized Loan Obligation (CLO) een belangrijke rol gespeeld. In een rapport van de Europese Centrale Bank over LBO-financiering wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds ‘capital turnover banks’, die aan het verstrekken van leveraged loans verdienen door eenmalige fee’s en direct daarna de lening doorverkopen aan een CLO, en anderzijds ‘portfolio banks’, die niet uitsluitend gericht zijn op de eenmalige vergoedingen, maar tevens een deel van de lening op hun balans houden (European Central Bank, Large Banks and Private Equity- Sponsored Leveraged Buyouts in the EU (18 april 2007), beschikbaar op http://www.ecb.int/pub/pdf/ other/largebanksandprivateequity-200704en.pdf., p. 19-20). Visser 2005, nr. 3, overweegt dat banken doorgaans niet meer dan 10 procent van een LBO-lening in hun boeken hielden. Zie nader over de relatie tussen structured credit en de bereidheid van banken om LBO’s te financieren: Kosman 2011, p. 40-46, Shivdasani & Wang 2009 en Viëtor & Van der Zanden 2008, p. 168.
Financial Services Athority, ‘Private Equity: a discussion of risk and regulatory engagement’, p. 40.
European Central Bank, Large Banks and Private Equity-Sponsored Leveraged Buyouts in the EU (18 april 2007), beschikbaar op http://www.ecb.int/pub/pdf/other/largebanksandprivateequity- 200704en.pdf, 39-40. Zie hierover tevens Gabilando 2009, p. 477.
Zie daarover Viëtor & Van der Zanden 2008.
Het economische herstel na 2002 gaf aanleiding tot een nieuwe LBO-golf, waarin alle records werden gebroken. Tussen 2005 en juni 2007 werden wereldwijd ruim 5000 LBO’s geëffectueerd, met een totale waarde van meer dan $ 1.6 biljoen.1 Tot de jaren negentig vonden de meeste LBO’s plaats in de VS en het VK, en kende continentaal Europa slechts een beperkt aantal, vrij conservatief gefinancierde transacties.2 Na de jaren negentig begon het aantal LBO’s in Europa gestaag te stijgen, en vanaf 2003 nam het aantal LBO’s daar significant toe en stegen de leverage ratio’s naar Amerikaanse hoogtes (zie figuren 3 en 4). Zo werd in Nederland in 1985 slechts voor 13,37 miljoen euro geïnvesteerd in LBO’s; in 2006 investeerde men 1,8 miljard euro.3 In Duitsland vonden tussen 2004 en 2007 meer dan 500 LBO’s plaats met een gezamenlijke waarde van meer dan 130 miljard euro.4 De Duitse LBO’s werden in toenemende mate gefinancierd met vreemd vermogen; tussen 2004 en 2005 steeg de gemiddelde verhouding tussen de schulden en de EBITDA – de zogenoemde multiple – van 4,6 naar 5,7.5 Zoals uit figuur 4 blijkt, steeg in Europa de gemiddelde hoeveelheid vreemd vermogen op de balans van LBO-doelwitten naar zelfs 6,5 keer EBITDA in 2007.
Figuur 3 (Bron: Dealogic)
Figuur 4 (Bron: Harbula 2011, p. 39)
De historisch lage rentevoet is een belangrijke aanjager geweest van de derde LBOgolf. 6 In hun zoektocht naar rendement waren (institutionele) beleggers – zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen – massaal bereid om te investeren in het voor LBO’s benodigde eigen vermogen en vreemd vermogen.7Private equity-partijen konden daarom tegen een laag rentetarief financiering aantrekken, en dit vormde een prikkel om agressieve financieringsstructuren op te zetten teneinde een maximaal rendement op het eigen vermogen te behalen.8 Anders dan in de VS, werden de LBO’s in continentaal Europa in veel mindere mate gefinancierd door de uitgifte van hoogrentende obligaties, maar werd hoofdzakelijk gebruik gemaakt van bankleningen. Banken toonden zich bereid om krediet te verstrekken tegen zeer vriendelijke, weinig restrictieve voorwaarden (zogenoemde covenant-light loans).9 De oorzaak van deze flexibele opstelling van de banken was voor een belangrijk deel gelegen in de opkomst van structured finance; veel banken verkochten de door hen verstrekte leveraged loans – na het incasseren van een eenmalige vergoeding – direct door, zodat het aan de leningen verbonden risico niet langer, of slechts in beperkte mate, op hun balans drukte.10 Zo werd in het Verenigd Koninkrijk 80 procent van de LBO-leningen binnen 120 dagen na de overname doorverkocht.11 Vanwege de grote vraag naar nieuwe leningen om te kunnen ‘verpakken’ en door te verkopen, en het feit dat de bank na de verkoop van de LBO-lening geen belang meer had bij de terugbetaling van het krediet, werden soms leningen verstrekt terwijl ernstige twijfel bestond – althans had moeten bestaan – over de kredietwaardigheid van de kredietnemer. Zo overwoog de Europese Centrale Bank in een rapport over LBO- financiering, reeds drie maanden voor het uitbreken van de kredietcrisis:
“Interestingly, some market participants [European banks – JB] tend to admit that some of the LBO deals currently being financed are characterized by capital structures that are known to be unsustainable in the long term, on the assumption that the deals can be refinanced on more favourable terms in the near future. Even if such optimistic expectations would be validated ex post, increasing numbers of refinanced transactions could pose risks for the debt holders if the additional funds are excessively used in shareholders’ interests rather than invested in the company.”12
Door het intreden van de financiële crisis in de tweede helft van 2007 kwam abrupt een einde aan de derde LBO-golf.13 Het aantal leveraged transacties kelderde en bij de overnames die nog plaatsvonden werd aanzienlijk minder vreemd vermogen gebruikt (zie figuren 3 en 4). Een van de belangrijkste aanjagers van de LBO-markt was verdwenen: overvloedig en goedkoop krediet.