Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.3.3:9.3.3 De verplichting tot uitvoering van een marktanalyse
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.3.3
9.3.3 De verplichting tot uitvoering van een marktanalyse
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582354:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Lierop & Pijnacker Hordijk 2007, p. 65.
BR 3 december 2004, NJ 2005, 118 m.nt. MRM (Vreugdenhil/BVH).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Partijen dienen voldoende te stellen dat aan alle relevante criteria van de desbetreffende mededingingsrechtelijke bepaling is voldaan. Bij betwisting dienen partijen genoegzaam te bewijzen dat aan de betwiste criteria is voldaan. In het mededingingsrecht is veelal een marktanalyse noodzakelijk om te bewijzen dat voldaan is aan alle criteria van de artikelen 81EG, 82EG, 6 Mw en 24 Mw. Zie voor de noodzakelijke marktanalyse nader mijn bespreking betreffende de inzet van economische deskundigheid in § 9.5.4. Een goed voorbeeld waarbij partijen niet voldoen aan hun stelplicht en de rechter te weinig aandacht besteed aan de noodzakelijke marktanalyse is de ook in het preadvies van Van Lierop & Pijnacker Hordijk aangehaalde zaak Vreugendhil/ Bloemenveiling.1 De Hoge Raad maakt hierbij onderscheid tussen overeenkomsten die reeds naar hun strekking dan wel in hun gevolgen de mededinging schaden. De Hoge Raad overweegt (r.o. 3.7.3):2
'Vreugdenhil klaagt terecht dat het hof had behoren aan te geven of naar zijn oordeel de Overeenkomsten reeds naar hun strekking dan wel in hun gevolgen de mededinging schaden en waarom het een dan wel het ander zich zou voordoen: tot mededingingsbeperkende gevolgen kan immers slechts worden geconcludeerd op grond van een uitvoerig feitelijk onderzoek in de vorm van een marktanalyse, waarvan uit het bestreden arrest niet blijkt.
Voor zover het hof zou hebben miskend dat mededingingsbeperkende gevolgen niet zonder marktanalyse kunnen worden vastgesteld, zou het van een onjuiste rechtsopvatting hebben blijk gegeven. Voor zover in rov. 2.6 besloten zou liggen dat de Overeenkomsten reeds naar hun strekking de mededinging beperken, zou het hof onvoldoende inzicht hebben geboden in de gedachtegang die tot dit oordeel heeft geleid. Immers, de enkele omstandigheid dat de Overeenkomsten BVH zouden verplichten om de Spaanse kwekers voor te schrijven om de verwerking van hun anjers te laten uitvoeren door BVH en in feite door Vreugdenhil, die op zijn beurt in opdracht van BVH werkt, brengt nog niet mee dat de Overeenkomsten een mededingingsbeperkende strekking hebben.
Ook aan de door art. 81 EG bedoelde mogelijkheid van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten, aan het merkbaarheidsvereiste en aan de mogelijkheid dat sprake is van een bagatel in de zin van art. 7 Mededingingswet heeft het hof niet kenbaar aandacht besteed. Door dit een en ander onbesproken te laten, heeft het hof ofwel van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven, ofwel onvoldoende inzicht geboden in zijn gedachtegang.'
De rechter kan alleen tot het oordeel komen dat overeenkomsten mededingingsbeperkende gevolgen hebben op grond van een uitvoerig feitelijk onderzoek in de vorm van een marktanalyse. Alleen bij overeenkomsten met een mededingingsbeperkende strekking (zoals hardcore afspraken die een evident negatief gevolg voor de mededinging en de consument hebben) kan een marktanalyse achterwege blijven, behoudens het toetsen van de merkbaarheid. Wel dient onderzocht te worden of de strekkingsbedingen ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de betrokken markt ten nadele van de eindgebruiker wordt belemmerd, beperkt of vervalst en het mededingingsrecht daarop dus van toepassing is (§ 2.3.3.2 sub e).