Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.3.4:11.3.3.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.3.4
11.3.3.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606611:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
I.J.F.A. van Vijfeijken, ‘De positie van de langstlevende in de Wet schenk- en erfbelasting’, WFR 2008, p. 571.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik stel voor om voor de toepassing van tariefgroep I als bedoeld in art. 24 SW 1956 aan te sluiten bij het begrip ‘partner’ als bedoeld in art. 1.2 Wet IB 2001. De door mij voorgestane contouren van dit begrip heb ik in hoofdstuk 6 als volgt geschetst:
De echtgenoot en geregistreerde partner en de ‘ongehuwd samenlevende’, ofwel de ‘levensgezel’ met wie de belastingplichtige een ‘gezamenlijke huishouding’ voert, worden als ‘partner’ aangemerkt.
De keuzemogelijkheid voor ongehuwde partners is eenmalig: herziening van de keuze is slechts mogelijk bij beëindiging van de relatie.
De keuzemogelijkheid is bovendien afhankelijk van nadere voorwaarden, zoals meerderjarigheid, het voeren van een ‘gezamenlijke huishouding’ in de zin van art. 26, paragraaf 2, lid 3 Leidraad INV 1990 en inschrijving op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie.
Van Vijfeijken is overigens van mening dat het in het kader van de nieuwe Wet schenk- en erfbelasting niet nodig is om voor het partnerbegrip aan te sluiten bij de Wet IB 2001.1 Zij meent dat het partnerbegrip voor de inkomstenbelasting is gericht op de draagkracht die wordt beïnvloed door het voeren van een gezamenlijke huishouding, terwijl het in het successie- en schenkingsrecht gaat om de verzorgingsverplichting tussen partners. Daarom zou de vereiste feitelijke samenwoontermijn voor het successie- en schenkingsrecht volgens haar best langer mogen zijn dan de termijn in de Wet IB 2001. Hoewel ik inzie dat dit verschil tussen de inkomstenbelasting en het successie- en schenkingsrecht in theorie bestaat, moet ook worden erkend dat het draagkrachtbeginsel inmiddels vooral een symbolische plaats heeft in de Wet IB 2001. Bovendien hebben de partnerbegrippen in beide belastingen dezelfde facilitaire functie. Hoewel wellicht niet strikt noodzakelijk, is het naar mijn mening ook niet bezwaarlijk om een uniform partnerbegrip te hanteren. Met het oog op de eenvoud en de kenbaarheid van het fiscale recht acht ik dat zelfs een pluspunt.
Voorts zou naar mijn mening ook het kind van de partner met wie de erflater of schenker ongehuwd samenwoont, als ‘kind’ voor de toepassing van art. 24 SW 1956 moeten worden beschouwd. Op basis van de huidige wetgeving is dat wel het geval voor ‘tweerelaties’, maar niet voor ‘notariële samenwoners’. Uniformiteit zou kunnen ontstaan door aan te sluiten bij de definitie van het begrip ‘kind’ in art. 4 AWIR.