Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/2.2.3
2.2.3 Het gemeentebestuur in de periode 1992-2002
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 7 december 1993, Stb. 1993, 611. De naamgeving 'Gemeentewet-1992' is enigszins verwarrend, aangezien zij eerst in werking trad in 1994. Niettemin wordt hier aangesloten bij de benaming die in de literatuur gangbaar is.
Zie Dólle/Elzinga (1993) hoofdstuk 2. Auteurs onderscheiden het decentralisatiemotief, het democratisch motief en het differentiatiemotief.
KB van 10 mei 1972, Stb. (1972) nr. 271.
TK 17369 nrs. 8 en 9. Zie ook Ddlle/Elzinga (1999), p. 358 e.v.
Wet van 16 juli 2001, Stb. 200, 358.
Zie bijvoorbeeld Ddlle (2001), p. 553 e.v.
Wet van 4 december 2008, Stb. 2008, 538. Zie voor de onderliggende motivering TK 31393 nr. 3.
De tweede grote herziening van de Gemeentewet, die van 1992,1 had in tegenstelling tot de eerste wél duidelijke motieven. In een vrije interpretatie van Dëlle en Elzinga kan worden gesproken van de drie D's: decentralisatie, democratisering en differentiatie.2 De decentralisatie bleek vooral uit het terugdringen van het preventieve toezicht. Democratisering werd bereikt door het versterken van de positie van de burger (bijvoorbeeld door middel van de uitbreiding van de openbaarheid en het verplicht stellen van inspraakverordeningen) en de versterking van de positie van de raad (bijvoorbeeld door invoering van de mogelijkheid voor de raad algemene regels te stellen aan de uitoefening van bevoegdheden in medebewind door het college). De differentiatie werd vooral bereikt door een verruiming van de mogelijkheden tot delegatie van bevoegdheden.
Ten aanzien van de burgemeester introduceerde de Gemeentewet-1992 een incompatibiliteit met het raadslidmaatschap. Op het terrein van zijn benoeming legde de Gemeentewet een wettelijke basis voor de raadsinvloed die via profielschetsen en vertrouwenscommissies gestalte had gekregen. Voordien was het recht van de raad een profielschets op te stellen voor de burgemeester neergelegd in de ambtsinstructie voor de commissaris van de Koning3 en waren de vertrouwenscommissies in de praktijk ontstaan en enigszins genormeerd door een brief van de minister van Binnenlandse Zaken aan de commissarissen der Koningin.4 In 2001 is de raadsinvloed op de burgemeestersbenoeming nogmaals vergroot door de adviserende rol van de gemeenteraad op te waarderen tot een aanbevelende.5 De raad is op grond van art. 61 Gemeentewet bevoegd een tweetal kandidaten in een door de raad te bepalen volgorde aan te bevelen bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De aanbeveling kan slechts bij hoge uitzondering één kandidaat bevatten. De minister volgt in zijn voordracht in beginsel de aanbeveling van de gemeenteraad, maar kan hiervan op zwaarwegende gronden afwijken. Bij dezelfde gemeentewetswijziging — die dus aan de dualisering vooraf ging — werd de raad tevens de bevoegdheid geboden te besluiten tot de organisatie van een referendum tussen twee kandidaten. De uitslag van dit referendum bond de raad op geen enkele wijze, waardoor de aan het referendum gestelde geldigheidsvoorwaarde van een opkomst van ten minste 30 procent de referendumgerechtigden juridisch bezien betrekkelijk betekenisloos was. Dit burgemeestersreferendum lag sinds de publicatie in het Staatsblad al hevig onder vuur6 en is wegens gewijzigde inzichten en tegenvallende ervaringen in 2008 uit de Gemeentewet verdwenen.7