Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.5.2:5.5.2 Slotbevindingen
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.5.2
5.5.2 Slotbevindingen
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946207:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht, het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel zijn dermate met elkaar verweven dat een bespreking van de wijze waarop het klachtvereiste zich daarmee verhoudt onvermijdelijk enige overlap kent. Die overlap is niet onwenselijk. Het maakt beter inzichtelijk welke plaats de rechtsfiguur van het klachtdelict inneemt in ons rechtsbestel, doordat de raakvlakken met deze drie fundamentele uitgangspunten van ons strafrechtelijke systeem zichtbaar worden. Zo is in paragraaf 2 vastgesteld dat het klachtdelict geen anomalie binnen de strafrechtspleging is, maar moet worden bezien als een nadere normering van het overheidshandelen binnen het strafrecht ten behoeve van individuele belangen waarmee de wetgever expliciet rekening wenst te houden. Die vaststelling sluit aan op de bevindingen in de daaropvolgende paragrafen. In relatie tot het vervolgingsmonopolie werd immers geconcludeerd dat het klachtvereiste geen uitzondering op het vervolgingsmonopolie betreft, maar slechts een wettelijke drempel opwerpt voordat het openbaar ministerie aan de vervolgingsbevoegdheid invulling kan geven. Het klachtvereiste maakt in dit licht onderdeel uit van het wettelijke kader waarvan het openbaar ministerie zich rekenschap moet geven bij de uit art. 124 Wet RO voortvloeiende taak om de rechtsorde te handhaven. Diezelfde taak kleurt de invulling van het opportuniteitsbeginsel en meer in het bijzonder de verplichting voor het openbaar ministerie om in het algemeen belang te vervolgen. Deze verplichting voor het openbaar ministerie vormt het sluitstuk waardoor een publiekrechtelijk karakter zonder meer niet aan de vervolging kan worden ontzegd. Dit maakt ook duidelijk dat de klacht geen doorslaggevende betekenis moet toekomen bij het opportuniteitsoordeel aangaande de vervolging van een klachtdelict. Het openbaar ministerie zou de opportuniteit van de vervolging van klachtdelicten dan immers steeds gronden op één individueel belang en niet aan de hand van een waardering van betrokken (deel)belangen komen tot een algemeen belang dat het fundament voor de vervolging vormt.
Het klachtvereiste moet dus worden gepercipieerd als een nadere normering van het overheidshandelen. Het wordt het individu gegeven om zelf te beoordelen of een vervolging van bepaalde delicten achterwege dient te blijven. Die delicten acht de wetgever steeds strafwaardig en strafbaar, maar de wetgever erkent tegelijkertijd dat bij die feiten steeds voorrang moet kunnen worden verleend aan het private belang dat kan bestaan bij het achterwege blijven van vervolging. Het betreft veelal feiten die primair een individu treffen en waarvan de ernst dermate betrekkelijk is dat in zijn algemeenheid voorrang kan worden verleend aan voornoemd privaat belang. Bij de meeste delicten verdient het hiervoor omschreven private belang van de getroffene echter slechts incidenteel voorrang. Zo treffen veel delicten niet hoofdzakelijk één individu en is op voorhand vaak niet helder welke personen en belangen in een concreet geval door een bepaald feit kunnen worden getroffen. Ook worden veel strafbare feiten in zijn algemeenheid dusdanig ernstig geacht dat dit eraan in de weg staat dat de wetgever bij die feiten consequent voorrang verleent aan het individuele belang van het slachtoffer dat vervolging uitblijft. Waar de wetgever in dergelijke gevallen geen klachtvereiste toebedeelt, kan toepassing van het opportuniteitsbeginsel door het openbaar ministerie uitkomst bieden indien in een concreet geval een specifiek belang om niet te vervolgen de boventoon voert.
Bij de beoordeling van de verhouding tussen het klachtvereiste en het opportuniteitsbeginsel is het van belang om voor ogen te houden dat de wetgever en het openbaar ministerie ten aanzien van de rechtshandhaving op een verschillend niveau acteren. Er moet worden onderscheiden tussen het bieden van de gelegenheid om strafrechtelijk te handhaven, waarin de wetgever in algemene zin voorziet, en de het vaststellen van de noodzaak om strafrechtelijk te handhaven, waar het openbaar ministerie zich in een concreet geval op toelegt. De wetgever voorziet in de gelegenheid om strafrechtelijk te handhaven door strafbepalingen te formuleren, maar de wetgever voorziet daarbij ook in grenzen van vervolgbaarheid. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het vaststellen van verjaringstermijnen, het stellen van een leeftijdsgrens voor vervolging en dus ook aan het aanwijzen van klachtdelicten. Dit maakt inzichtelijk dat de grenzen aan vervolgbaarheid niet alleen in objectieve maatstaven besloten liggen (zoals verjaringstermijnen en leeftijdsgrenzen), maar tevens in een subjectieve maatstaf: de wens van een klachtgerechtigde dat vervolging achterwege blijft. Ook vanuit dit perspectief bezien is de rechtsfiguur van het klachtdelict een bijzonder fenomeen.
Onder de streep beoordeelt de wetgever in abstracte zin in welke gevallen vervolging mogelijk moet zijn, waarna het openbaar ministerie in concrete gevallen beziet of de vervolging haalbaar en opportuun is. Het ontbreken van een klacht leidt tot een onmogelijkheid om te vervolgen en raakt daarmee aan de haalbaarheidscomponent en niet aan de opportuniteitscomponent van de vervolgingsbeslissing. Binnen de opportuniteitstoets kan het belang van het slachtoffer – zowel bij klachtdelicten als bij reguliere delicten – een doorslaggevende betekenis hebben bij de vaststelling van algemeen belang. Dat is bij klachtdelicten net zomin als bij de overige delicten een gevolg van het klachtvereiste, maar eenvoudigweg een uitvloeisel van de taak van het openbaar ministerie om alle betrokken (deel)belangen te wegen.
Dan resteert de vraag waarom binnen deze wettelijke constellatie het bij klachtdelicten aan het individu zelf is gegeven om te beoordelen of zijn private belang dusdanig zwaar weegt dat vervolging in dat concrete geval achterwege moet blijven. Dit is verklaarbaar in het licht van de subjectieve achtergrond van dat belang in samenhang met de functie van het klachtvereiste. Het is immers uitsluitend de klachtgerechtigde zelf die kan beoordelen of hij de ruchtbaarheid wil dragen die een vervolging met zich kan brengen of dat hij de schade wenst te accepteren die een vervolging zal kunnen hebben voor de omgangsvormen in een familie. Het gaat dus niet enkel om de vaststelling dat een vervolging nadelige gevolgen kan hebben voor het betrokken slachtoffer, maar ook om de mate waarin de getroffene bereid is die last te dragen. Die beoordeling laat zich niet objectiveren en deze wordt daarom (terecht) niet uit handen van het betrokken individu genomen. De centrale positie voor het klachtgerechtigde slachtoffer is ook verklaarbaar vanuit de functie van klachtdelicten. Het klachtvereiste strekt ertoe het slachtoffer de mogelijkheid te bieden om rechtshandhaving in al zijn facetten buiten de deur te houden. Het individu kan en mag de zaak laten rusten. Bij dit idee past niet dat binnen het handhavingsapparaat wordt beslist of vervolging is aangewezen. Te meer niet omdat veelal toch enig onderzoek zal moeten worden verricht alvorens het openbaar ministerie een gedegen vervolgingsbeslissing kan nemen. De functie die het klachtvereiste vervult kan ook om die reden niet worden verdisconteerd in de opportuniteitstoets van het openbaar ministerie.