Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.3.4.3
V.3.4.3 De overtreding van een ongeschreven milieunorm
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460163:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens kunnen de IJzerdraad-criteria bij deze onrechtmatigheidsgrond mijns inziens wel behulpzaam zijn bij het vaststellen hoe ver de zorgplicht van de leidinggevende strekt. De toerekeningsformule kan ook worden gebruikt als een verweer: wanneer zich een verboden gedraging voordoet bij ondergeschikten, heeft de leidinggevende niet onzorgvuldig gehandeld als hij die gedraging niet heeft aanvaard of niet kon voorkomen. Dogmatisch gezien hebben deze criteria dan geen betrekking op de toerekening van de verboden gedraging, maar spelen zij een rol bij de normstelling.
Deelneming is op zichzelf niet strafbaar; er moet sprake zijn van deelneming aan een strafbaar feit (of in het bestuursrecht: aan een overtreding in de zin van artikel 5:1 lid 1 Awb). Dit is geborgd in het accessoriteitsvereiste van de deelnemingsfiguren. Het schenden van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is geen strafbaar feit of overtreding, daarom is deelneming aan de schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm mijns inziens ook niet onrechtmatig (tenzij dit strijd oplevert met een andere, zelfstandige zorgvuldigheidsnorm; maar dan is er geen sprake van deelneming meer).
Dit werk ik verder uit in par. IV.5.3.4 onder het kopje ‘Maatwerk’.
Een eenvoudig voorbeeld van een handeling in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die niets te maken heeft met de Kelderluik-factoren, kan worden gevonden in het fundamentele Lindenbaum/Cohen-arrest. In dit arrest werd voor het eerst een beroep gedaan op het ongeschreven recht als grondslag voor de onrechtmatigheid van een gedraging. In casu was geen sprake van een ‘gevaar’ of het uitblijven van voorzorgsmaatregelen, maar van oneerlijke handelspraktijken door het verkopen van bedrijfsgeheimen. HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, NJ 1919, p. 161, m.nt. Molengraaff (Lindenbaum/Cohen). Een mooi recent voorbeeld van een zorgvuldigheidsnorm op maat waar geen Kelderluik-criterium aan te pas is gekomen betreft: Rb. Den Haag 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337, M&R 2021/86, m.nt. Arentz (Milieudefensie/Shell).
In het privaatrecht kan een leidinggevende zoals gezegd niet alleen een onrechtmatige daad begaan door het overtreden van een wettelijk voorschrift, maar ook door het handelen ‘in strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’. De beoordeling of een leidinggevende in strijd handelt met een milieunorm die voortvloeit uit het ongeschreven recht, ziet er dan wat anders uit dan bij een milieunorm uit een wettelijk voorschrift. In het ongeschreven recht bestaan namelijk – per definitie – geen vaststaande of vastomlijnde milieunormen waaraan de rechter moet toetsen. Er zijn ook geen delictsgedragingen die functioneel kunnen worden geïnterpreteerd of kunnen worden toegerekend.1 Net zo is er – bij gebrek aan strafbaar feit – in het kader van deze onrechtmatigheidsgrond in beginsel geen rol weggelegd voor deelnemingsfiguren.2 Bij een beroep op de maatschappelijke betamelijkheid dient de rechter zelf op grond van de omstandigheden van het geval een milieunorm te formuleren.
Voor het formuleren van een ongeschreven milieunorm, kan een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm met een algemene strekking (zoals gevaarzetting en hinder) worden gebruikt als vertrekpunt. Voorts kan inspiratie worden geput uit regelgeving die strikt genomen niet (of nog niet) van toepassing is op het voorliggende geschil (‘reflexwerking’). Het ongeschreven recht biedt hierbij veel ruimte voor normstelling op maat; kenmerkend aan de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is immers haar contextgebonden karakter. In het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, zijn er drie omstandigheden die mijns inziens de bijzondere aandacht verdienen bij het nader invulling geven aan ongeschreven zorgvuldigheidsnormen: 1) de aard van de milieurisico’s die zijn verbonden aan de bedrijfsactiviteiten, 2) de aard, omvang en complexiteit van de onderneming, en 3) de positie van de leidinggevende binnen de onderneming.3
In het privaatrechtelijke hoofdstuk bespreek ik enkele ‘soorten’ ongeschreven zorgvuldigheidsnormen en de omstandigheden die mijns inziens relevant zijn voor de nadere invulling ervan. In de literatuur wordt de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm soms vereenzelvigd met de gevaarzettingsleer, waarbij de Kelderluik-factoren worden gehanteerd als een soort algemene invulling van de maatschappelijke betamelijkheid. Dit lijkt mij onjuist. De gevaarzettingsleer, hoewel zeer flexibel, veelzijdig en (daarom?) zeer populair, is uiteindelijk ook maar één van de vele denkbare ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Er zijn ook andersoortige ongeschreven zorgvuldigheidsnormen die zijn bedoeld voor heel andere situaties dan die waarin een gevaar voor personen of andermans zaken in het leven wordt geroepen, en die daarom ook vragen om andersoortige gezichtspunten.4
Soms spreken de feiten voor zich, en blijken de bestaande kaders te knellen of af te leiden van de kern van de zaak. Daarom hecht ik eraan om ook in deze conclusie te benadrukken dat voor het vaststellen van ‘hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’, het gelet op de aard van deze onrechtmatigheidsgrond niet nodig is om binnen de lijntjes te kleuren van bestaande zorgvuldigheidsnormen: ook in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden kan in zeer specifieke gevallen een op-het-geval-toegesneden ongeschreven zorgvuldigheidsnorm worden geformuleerd.