Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/2.5
2.5 Dagvaardingsprocedures
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430532:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Alkmaar 1 december 1977, AK 10.927; Rb. Alkmaar 10 juni 1982, AK 13.360; Rb. Almelo 21 december 1988, NIER 1989, 291.
Th.M. de Boer, 'De internationale aspecten', in: R.C. Gisolf, Kort geding en rechter. Inleiding tot het kort geding, geschreven vanuit de rechtszaal, Zwolle: W.E.I. Tjeenk Willink 1993, p. 82-84; X.E. Kramer, Het kort geding in internationaal perspectief. Een rechtsvergelijkende studie naar de voorlopige voorziening in het internationaal privaatrecht (diss. Leiden), Recht en Praktijk, 116, Deventer: Kluwer 2001, p. 132-133.
Pres. Rb. 's-Gravenhage 31 mei 1988, NJ 1989, 745; Pres. Rb. Assen 10 juli 1992, NIPR 1992, 442; Pres. Rb. Rotterdam 21 juli 1994, KG 1994, 334; Hof Amsterdam 23 november 1995, NJ1997, 739; Pres. Rb. Rotterdam 23 december 1997, KG 1998, 37.
Conclusie A-G Franz, onder nr. 5: 'Het sterfhuis heeft als 'chef de compétence' wel het eerste maar niet ook het laatste woord.'
Bevestigend: F.J.A. van der Velden, 'Kroniek van het privaatrecht over 1984. XIV. Internationaal privaatrecht', RM Themis 1985, p. 243-244; J.P. Verheul, 'Overzicht der Nederlandse Rechtspraak. Internationaal Privaatrecht. Rechterlijke bevoegdheid (1979-1984) (II, slot)', WPNR (1986) 5793, p. 507; Verheul & Feteris, Rechtsmacht (II), p. 243-244; H. Lenters, Advocatenblad 1989, p. 464. Vgl. J. Knottenbelt, Hoofdstukken productaansprakelijkheid: buitencontractuele aansprakelijkheid van de producent van een gebrekkig produkt voor personenschade, Studiepockets privaatrecht, nr. 46, Zwolle: W.E.I. Tjeenk Willink 1991, p. 153; noot van Verkade onder IR 24 november 1989, NJ 1992, 404.
Aldus L.Th.L.G. Pellis, 'Tot uw dienst!' - Over oude en nieuwe grondslagen van het commune Nederlandse internationaal bevoegdheidsrecht', in: H.F.G. Lemaire & P. Vlas (red.), Met recht verkregen, (Joppe-bundel), Deventer: Kluwer 2002, p. 147-149.
A.P. Punke, NJB 1967, p. 867; Th.M. de Boer, `De internationale aspecten', in: R.C. Gisolf, Kort geding en rechter, p. 83; Strikwerda (2000), nr. 228. Zie ook Schultsz in zijn noot onder HR 26 oktober 1984, NJ 1985, 696; `De invoering van een min of meer discretionnaire vrijheid voor de rechter tot het weigeren van rechtsmacht zou een revolutie in ons recht op de contentieuze jurisdictie betekenen, en bovendien een breuklijn dwars daardoorheen, nl. tussen de wel- en de niet-EEXgevallen (het EEX laat een dergelijk beginsel niet toe).'
Rb. Rotterdam 16 september 1988, 1VIPR 1990, 344; Pres. Rb. Middelburg 28 april 1989, NJPR 1989, 476 (bekrachtigd door Hof 's-Gravenhage 19 februari 1991, NJPR 1992, 126); Rb. Rotterdam 11 mei 1995, 1VIPR 1996, 135; Rb. Rotterdam 5 september 1996, NJPR 1997, 141; Rb. Rotterdam 12 december 1996, 1VIPR 1997, 262; Rb. Amsterdam 28 januari 1998, 1VIPR 1999, 281; Rb. Rotterdam 25 juni 1998, 1VIPR 1999, 89; Hof 's-Gravenhage 15 juli 1999, 1VIPR 2001, 130; Hof 's-Hertogenbosch 3 april 2001, 1VIPR 2001, 290; Hof Amsterdam 5 juni 2003, 1VIPR 2005, 306.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel 27 september 1968, Trb. 1969, 101, zoals nadien gewijzigd door diverse Toetredingsverdragen.
Zie hoofdstuk 7.
De forum non conveniens-correctie van art. 429c Rv oud beperkte zich tot de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter in verzoekschriftprocedures. Een forum non conveniens ontbrak in Rv in de titel voor dagvaardingsprocedures. Incidenteel werd het leerstuk in de rechtspraak toch toegepast in dagvaardingszaken.1 De kortgeding praktijk nam hierin een bijzondere positie in. De Nederlandse kortgeding rechter, bijvoorbeeld bevoegd op grond van het forum actoris van art. 126 lid 3 Rv oud, verklaarde zich doorgaans forum non conveniens indien de vordering onvoldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer had.2 Voldoende band was er in ieder geval indien een veroordelend kortgeding vonnis geëffectueerd kon worden op vermogensbestanddelen die zich binnen de Nederlandse rechtssfeer bevonden of binnenkort zouden bevinden (forum acti).3 In Rb. ' s-Gravenhage 14 augustus 2002, NIPR 2002, 280 beperkte de rechtbank haar rechtsmacht in een octrooizaak tot het Nederlandse grondgebied:
`De rechtbank acht zich op grond van het ten deze ingevolge de desbetreffende overgangsbepaling van toepassing zijnde art. 126 lid 3 (oud) Rv. bevoegd kennis te nemen tegen de in Taiwan gevestigde en niet tevens in Nederland kantoorhoudende gedaagden Postech Corporation en Princo Corporation. Die bevoegdheid is evenwel beperkt tot Nederland, nu (i) de zojuist vastgestelde bevoegdheid, te weten het forum actoris, een exorbitant forum betreft (ii) er in casu sprake is van buitenlandse gedaagden en (iii) van voldoende zinnige aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer ten aanzien van grensoverschrijdende maatregelen niet is gebleken.'
Naar aanleiding van HR 26 oktober 1984, NJ 1985, 696 (JCS) rees de vraag of de Hoge Raad niet de deur had opengezet voor toepassing van forum non conveniens in dagvaardingszaken. De zaak betrof een bij dagvaarding ingeleide procedure inzake de verdeling van een in Duitsland opengevallen nalatenschap. De weduwe van de erflater dagvaardde haar in Duitsland wonende adoptiefdochter voor de Nederlandse rechter en vorderde dat zij zou worden veroordeeld om met haar over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van de erflater. De in België en Duitsland gelegen bestanddelen van de nalatenschap waren reeds tussen partijen verdeeld, zodat de vordering alleen betrekking had op de zich in Nederland bevindende onroerende zaken. In verband met de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter rees de vraag of erflaters laatste woonplaats in Nederland of in het buitenland lag. Volgens het hof kon het antwoord op deze vraag in het midden blijven, omdat naar zijn oordeel de Nederlandse rechter in beide gevallen bevoegd was om van de vordering tot verdeling van de nalatenschap kennis te nemen, en wel op grond van art. 126 onder lr Rv oud (de rechter van het sterfhuis) dan wel art. 126 onder 10' Rv oud (de rechter van de plaats van ligging van onroerende zaken). In cassatie besliste de Hoge Raad dat indien art. 126 onder lr Rv oud niet voor toepassing in aanmerking kwam omdat het sterfhuis van de overledene in het buitenland was gelegen, de hoofdregel van art. 126 onder 10' Rv oud haar werking hernam.4 In een obiter dictum voegde de Hoge Raad hieraan toe:
`3.2 (...) Voormelde vraag dient derhalve in die zin te worden beantwoord dat in geval de erflater zijn laatste woonplaats buiten Nederland had, ten aanzien van een vordering tot scheiding en deling van de nalatenschap aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt indien hier te lande tot de nalatenschap behorend onroerend goed is gelegen dan wel de verweerder hier zijn woonplaats heeft. Echter kan ook indien aan een of meer van deze voorwaarden is voldaan, de mede aan het voorschrift van art. 126 onder 12e ten grondslag liggende, in internationale gevallen des te sterker sprekende gedachte dat het in 'zaken van erfenis' van belang is tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, meebrengen dat niettemin in bijzondere gevallen, waarin de vordering onvoldoende aanknoping heeft met de rechtssfeer van Nederland, aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt.'
Over dit arrest is veel te doen geweest. Was hiermee de deur opengezet voor toepassing van forum non conveniens in dagvaardingsprocedures?5 Of moest het arrest zo worden opgevat dat de Hoge Raad, met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen, slechts de 'eenheid van jurisdictie' ten gunste van de rechter van het sterfhuis tot uiting had willen brengen?6 Wat hiervan verder ook zij, in de literatuur7 en de lagere rechtspraak8 was de heersende opvatting dat het gebruik van forum non conveniens, in welke vorm dan ook, in dagvaardingsprocedures niet was geoorloofd. Dikwijls werden hiervoor de volgende argumenten aangevoerd: de toepassing van forum non conveniens staat in dagvaardingsprocedures op gespannen voet met het beginsel van rechtszekerheid; er ontstaat een verschil van behandeling tussen zaken die wel en die niet bestreken worden door het EEX-Verdrag,9 nu dit verdrag een forum non conveniens-restrictie niet toestaat;10 in dagvaardingsprocedures bestaan geen relatieve competentieregels die de Nederlandse rechter een restbevoegdheid geven, op grond waarvan hem rechtsmacht toekomt zonder dat de zaak enige binding met Nederland heeft.