Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:203 BW:Onverschuldigde betaling
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:203 BW
Onverschuldigde betaling
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 16-12-2025
Actueel t/m
16-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:203 BW
Op degene die een vordering uit onverschuldigde betaling tegen een ander instelt, rusten de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij;
a.
die ander een goed heeft gegeven;
b.
zonder dat daarvoor een rechtsgrond is;
c.
en die ander de ontvanger is.
Dat volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv.1 Degene die de vordering instelt beroept zich immers op het rechtsgevolg daarvan, te weten dat op de ander een verbintenis is komen te rusten tot teruggave.
Niet nodig is dat de eiser ook stelt dat de ontvanger door de betaling ongegrond is verrijkt.2
Geven van een goed
Het bewijs van het gegeven hebben van een goed (meestal: betaling van een gedlbedrag) aan de gedaagde, levert geen bijzondere bewijsproblemen op.
Afwezigheid van een rechtsgrond
Het bewijs van afwezigheid van een rechtsgrond lijkt op het eerste gezicht wat ongemakkelijk omdat het om bewijs van iets negatiefs gaat. Dat is evenwel op zichzelf geen grond voor een andere bewijslastverdeling op basis van de uitzonderingsbepaling van art. 150 Rv.3 Afgezien daarvan gaat het bij het leveren van het bewijs steeds om bewijs van feiten en omstandigheden waaruit afgeleid moet worden dat een rechtsgrond ontbreekt. In die zin hoeft het lang niet altijd om bewijs van negatieve feiten te gaan.
Over de vraag welke feiten en omstandigheden er in een gegeven geval bewezen zullen moeten worden om de conclusie te trekken dat de betaling onverschuldigd heeft plaatsgevonden, valt in zijn algemeenheid weinig te zeggen. De casusposities waarin onverschuldigde betaling aan de orde kan zijn, zijn zo divers dat dit slechts van geval tot geval kan worden uitgemaakt.
Een veel voorkomend geval is dat waarin de gedaagde zich tegenover de vordering uit onverschuldigde betaling beroept op het bestaan van een overeenkomst vervat in een onderhandse akte, als rechtsgrond voor de betaling. Dit is een betwisting van het door eiser gestelde rechtsfeit dat de betaling onverschuldigd is gedaan. Het beroep op de akte, en de daarin verwoorde overeenkomst, is een onderbouwing van de betwisting. Daarvan draagt de gedaagde dan niet de bewijslast. Dat de akte dwingende bewijskracht heeft (art. 157 Rv), maakt voor de verdeling van de bewijsleveringslast in dit geval niet uit. Aan de bewijskracht van de akte kan en behoeft de gedaagde geen nuttig effect te ontlenen,4 en aan de toepassing van art. 159 lid 2 Rv komt de rechter dan ook niet toe. Als de eiser het bestaan van de in de akte vervatte overeenkomst bestrijdt, en in dat verband bijvoorbeeld de echtheid van de ondertekening van de akte betwist, zal de eiser nog steeds volgens de hoofdregel van art. 150 Rv moeten bewijzen dat voor de rechtsgrond een betaling ontbreekt. Hij zou in dat verband kunnen bewijzen dat de handtekening is vervalst, waarmee het door de gedaagde in het kader van zijn betwisting geschetste scenario onderuit wordt gehaald.5 Overigens kan in een geval als het onderhavige, waarin de gedaagde zich op het bestaan van een overeenkomst beroept, op de gedaagde wel een verzwaarde motiveringsplicht rusten (zie daarover ook Inleiding, par. 6.2).6
Ontvanger
Er kan discussie ontstaan over wie als de āontvangerā in de zin van art. 6:203 lid 1 kan gelden. Een vordering uit onverschuldigde betaling die een betaling betreft die is gedaan aan een tussenpersoon die heeft gehandeld op eigen naam, moet worden ingesteld tegen die tussenpersoon.7 Bij betaling aan een onmiddellijke vertegenwoordiger heeft de principaal als ontvanger te gelden (art. 3:66 lid 1 BW in verbinding met art. 3:78 BW). Als de gedaagde zich op het standpunt stelt dat niet hij de ontvanger is, maar de derde die de betaling feitelijk, en niet voor de gedaagde, in ontvangst heeft genomen, moet dit worden aangemerkt als een betwisting. De gedaagde heeft dan niet de bewijslast van de feiten die hij ter motivering van deze betwisting aanvoert, maar het is aan de eisende partij om te stellen en te bewijzen dat de derde de betaling heeft ontvangen voor de gedaagde; de eiser beroept zich in dit verband immers op de rechtsgevolgen van art. 3:66 lid 1 BW. Andersom kan de gedaagde zich op het standpunt stellen dat hij het goed weliswaar feitelijk heeft ontvangen, maar dat hij dit deed voor een derde. In dat geval beroept de gedaagde zich op de rechtsgevolgen van art. 3:66 lid 1 BW en zal hij de daarvoor benodigde feiten moeten stellen en eventueel bewijzen. Zie hierover verder het commentaar op art. 3:66 BW.
Vordering na betaling onder protest
De vraag is of de hiervoor beschreven bewijslastverdeling volgens de hoofdregel van art. 150 Rv ook moet gelden ingeval een partij al bij de betaling de verschuldigdheid bestreed, maar zij zich niettemin gedwongen voelde om, āonder protest van gehoudenheidā, aan de wederpartij te betalen, bijvoorbeeld omdat anders bepaalde voor die partij noodzakelijke bestellingen niet zouden worden uitgeleverd of de elektriciteit zou worden afgesloten (ādwangcrediteurā). Moet die partij in een procedure waarin zij het onder protest betaalde op grond van onverschuldigde betaling terugvordert dan ook bewijzen dat de betaling zonder grond was? Er is veel voor te zeggen om in een dergelijk geval de bewijslast om te keren. De tenzij-bepaling van art. 150 Rv biedt daarvoor ruimte. Door de betaling af te dwingen heeft de wederpartij voorkomen zelf in rechte betaling te moeten vorderen. Als zij dat wel had gedaan, had zij moeten stellen en bewijzen dat er voor de gevorderde betaling een grondslag bestond. Pleitbaar is dat haar ādwangpositieā niet tot een andere bewijspositie zou mogen leiden. Zie voor een toepassing hiervan Hof Leeuwarden 8 november 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BU3608.
Zie voor een toepassing hiervan Rb. Arnhem 21 april 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AP3476; anders Rb. Noord-Nederland 21 juni 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2849 die in zoān geval heeft geoordeeld dat de bewijslast van de echtheid op de gedaagde rust.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:203 BW
Onverschuldigde betaling
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 16-12-2025
16-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:203 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 203
Algemeen
Op degene die een vordering uit onverschuldigde betaling tegen een ander instelt, rusten de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij;
die ander een goed heeft gegeven;
zonder dat daarvoor een rechtsgrond is;
en die ander de ontvanger is.
Dat volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv.1 Degene die de vordering instelt beroept zich immers op het rechtsgevolg daarvan, te weten dat op de ander een verbintenis is komen te rusten tot teruggave.
Niet nodig is dat de eiser ook stelt dat de ontvanger door de betaling ongegrond is verrijkt.2
Geven van een goed
Het bewijs van het gegeven hebben van een goed (meestal: betaling van een gedlbedrag) aan de gedaagde, levert geen bijzondere bewijsproblemen op.
Afwezigheid van een rechtsgrond
Het bewijs van afwezigheid van een rechtsgrond lijkt op het eerste gezicht wat ongemakkelijk omdat het om bewijs van iets negatiefs gaat. Dat is evenwel op zichzelf geen grond voor een andere bewijslastverdeling op basis van de uitzonderingsbepaling van art. 150 Rv.3 Afgezien daarvan gaat het bij het leveren van het bewijs steeds om bewijs van feiten en omstandigheden waaruit afgeleid moet worden dat een rechtsgrond ontbreekt. In die zin hoeft het lang niet altijd om bewijs van negatieve feiten te gaan.
Over de vraag welke feiten en omstandigheden er in een gegeven geval bewezen zullen moeten worden om de conclusie te trekken dat de betaling onverschuldigd heeft plaatsgevonden, valt in zijn algemeenheid weinig te zeggen. De casusposities waarin onverschuldigde betaling aan de orde kan zijn, zijn zo divers dat dit slechts van geval tot geval kan worden uitgemaakt.
Een veel voorkomend geval is dat waarin de gedaagde zich tegenover de vordering uit onverschuldigde betaling beroept op het bestaan van een overeenkomst vervat in een onderhandse akte, als rechtsgrond voor de betaling. Dit is een betwisting van het door eiser gestelde rechtsfeit dat de betaling onverschuldigd is gedaan. Het beroep op de akte, en de daarin verwoorde overeenkomst, is een onderbouwing van de betwisting. Daarvan draagt de gedaagde dan niet de bewijslast. Dat de akte dwingende bewijskracht heeft (art. 157 Rv), maakt voor de verdeling van de bewijsleveringslast in dit geval niet uit. Aan de bewijskracht van de akte kan en behoeft de gedaagde geen nuttig effect te ontlenen,4 en aan de toepassing van art. 159 lid 2 Rv komt de rechter dan ook niet toe. Als de eiser het bestaan van de in de akte vervatte overeenkomst bestrijdt, en in dat verband bijvoorbeeld de echtheid van de ondertekening van de akte betwist, zal de eiser nog steeds volgens de hoofdregel van art. 150 Rv moeten bewijzen dat voor de rechtsgrond een betaling ontbreekt. Hij zou in dat verband kunnen bewijzen dat de handtekening is vervalst, waarmee het door de gedaagde in het kader van zijn betwisting geschetste scenario onderuit wordt gehaald.5 Overigens kan in een geval als het onderhavige, waarin de gedaagde zich op het bestaan van een overeenkomst beroept, op de gedaagde wel een verzwaarde motiveringsplicht rusten (zie daarover ook Inleiding, par. 6.2).6
Ontvanger
Er kan discussie ontstaan over wie als de āontvangerā in de zin van art. 6:203 lid 1 kan gelden. Een vordering uit onverschuldigde betaling die een betaling betreft die is gedaan aan een tussenpersoon die heeft gehandeld op eigen naam, moet worden ingesteld tegen die tussenpersoon.7 Bij betaling aan een onmiddellijke vertegenwoordiger heeft de principaal als ontvanger te gelden (art. 3:66 lid 1 BW in verbinding met art. 3:78 BW). Als de gedaagde zich op het standpunt stelt dat niet hij de ontvanger is, maar de derde die de betaling feitelijk, en niet voor de gedaagde, in ontvangst heeft genomen, moet dit worden aangemerkt als een betwisting. De gedaagde heeft dan niet de bewijslast van de feiten die hij ter motivering van deze betwisting aanvoert, maar het is aan de eisende partij om te stellen en te bewijzen dat de derde de betaling heeft ontvangen voor de gedaagde; de eiser beroept zich in dit verband immers op de rechtsgevolgen van art. 3:66 lid 1 BW. Andersom kan de gedaagde zich op het standpunt stellen dat hij het goed weliswaar feitelijk heeft ontvangen, maar dat hij dit deed voor een derde. In dat geval beroept de gedaagde zich op de rechtsgevolgen van art. 3:66 lid 1 BW en zal hij de daarvoor benodigde feiten moeten stellen en eventueel bewijzen. Zie hierover verder het commentaar op art. 3:66 BW.
Vordering na betaling onder protest
De vraag is of de hiervoor beschreven bewijslastverdeling volgens de hoofdregel van art. 150 Rv ook moet gelden ingeval een partij al bij de betaling de verschuldigdheid bestreed, maar zij zich niettemin gedwongen voelde om, āonder protest van gehoudenheidā, aan de wederpartij te betalen, bijvoorbeeld omdat anders bepaalde voor die partij noodzakelijke bestellingen niet zouden worden uitgeleverd of de elektriciteit zou worden afgesloten (ādwangcrediteurā). Moet die partij in een procedure waarin zij het onder protest betaalde op grond van onverschuldigde betaling terugvordert dan ook bewijzen dat de betaling zonder grond was? Er is veel voor te zeggen om in een dergelijk geval de bewijslast om te keren. De tenzij-bepaling van art. 150 Rv biedt daarvoor ruimte. Door de betaling af te dwingen heeft de wederpartij voorkomen zelf in rechte betaling te moeten vorderen. Als zij dat wel had gedaan, had zij moeten stellen en bewijzen dat er voor de gevorderde betaling een grondslag bestond. Pleitbaar is dat haar ādwangpositieā niet tot een andere bewijspositie zou mogen leiden. Zie voor een toepassing hiervan Hof Leeuwarden 8 november 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BU3608.
Voetnoten
1.
Aldus: Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 807 bovenaan. In de feitenrechtspraak wordt hetzelfde geoordeeld. Zie o.a.: Rb. Arnhem 21 april 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AP3476, Rb. Dordrecht 10 februari 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010:BL6013, Rb. Rotterdam 16 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:12847, Rb. Limburg 4 mei 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:3694, Rb. Amsterdam 13 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2551, Hof Den Haag 16 april 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ1829, Hof Den Haag 12 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:151, Hof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1602, Hof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3906, Hof Arnhem-Leeuwarden 6 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10508, Hof Amsterdam 17 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3461, Hof Den Haag 26 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2139. Zie in deze zin ook A-G Valk, ECLI:NL:PHR:2019:1139 onder 3.3. Duidelijke beslissingen van de Hoge Raad op dit punt zijn er niet.
2.
HR 1 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4956, NJ 1986/375 m.nt. Brunner, rov. 3.1.
3.
Zie over de bewijslast ten aanzien van negatieve feiten: Boonekamp/Valk & Lock, Stelplicht & Bewijslast 5.4 (Inleiding).
4.
De processuele functie van bewijsvermoedens heeft alleen nuttig effect voor de partij die de bewijslast draagt. Hetzelfde geldt voor dwingend bewijs.
5.
Zie voor een toepassing hiervan Rb. Arnhem 21 april 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AP3476; anders Rb. Noord-Nederland 21 juni 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:2849 die in zoān geval heeft geoordeeld dat de bewijslast van de echtheid op de gedaagde rust.
6.
In deze zin Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/130.
7.
HR 10 januari 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC1194, NJ 1969/190 m.nt. Scholten; zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 807, waar diverse casusposities worden beschreven.