Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.2.1
12.2.1 Inleiding
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491489:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 11.4. In zoverre is dan feitelijk sprake van partiële afrekening. Dat is echter geen keuze, maar een verplichting. Ik laat deze nuance in dit onderdeel verder achterwege.
Zie onderdeel 11.3.11 en de daar gemaakte verwijzingen.
Dit is nader besproken in onderdeel 11.4.4.2.
Zie onderdeel 11.4.4.11.
In het huidige systeem kan, in het geval verliezen aanwezig zijn, gekozen worden voor een ruisende splitsing. Die mogelijkheid is evenwel niet aantrekkelijk als de splitsingswinst de aanwezige compensabele verliezen overtreft. Voorts geldt met ingang van 2022 een verliesverrekeningstemporisering (zie ook hierna).
Volgens het huidige recht blijven de verliesaanspraken bij de afsplitser. Verderop in dit onderzoek pleit ik voor aanpassing. Zie onderdeel 12.6.4.
Wet van 16 december 2020, Stb. 2020, 540 en Koninklijk Besluit van 21 mei 2021, Stb. 2021, 257.
De wetgever zou dit kunnen oplossen door een uitzondering te maken op grond waarvan de aanwezige verliezen toch volledig kunnen worden afgezet tegen de splitsingswinst ongeacht de omvang daarvan. Vermoedelijk ziet de wetgever dat niet zitten. Vgl. Kamerstukken I 2020/21, 35 572, F, p. 7-13, waaruit blijkt dat de wetgever niet snel bereid is flankerende maatregelen te treffen, zelfs niet in het geval van een eindafrekening.
In het huidige systeem kan de splitsende rechtspersoon er niet voor kiezen de splitsingswinst deels in aanmerking te nemen en deels door te schuiven (partiële fiscaal gefaciliteerde splitsing). Het is dus volledig afrekenen of volledig doorschuiven (alles-of-niets-benadering), zij het dat de nadere voorwaarden in het geval van een doorschuifregeling op verzoek acute heffing van vennootschapsbelasting kunnen oproepen.1 In dit onderdeel beantwoord ik de vraag of het wenselijk is om voor de splitsingspartners een partiële doorschuifregeling mogelijk te maken.
Vanuit het perspectief van de splitsende rechtspersoon kan de partiële doorschuifmogelijkheid in een behoefte voorzien. Verliesaanspraken als bedoeld in art. 20 Wet VPB 1969 zijn in het huidige vennootschapsbelastingsysteem namelijk gebonden aan het belastingsubject.2 In het geval van een afsplitsing blijft de afsplitsende rechtspersoon voortbestaan, zodat diens verliesaanspraken bij hem achterblijven. Bij een zuivere splitsing houdt de zuiver splitsende rechtspersoon als gevolg van de splitsing op te bestaan. Zijn verliezen gaan in beginsel verloren, zij het dat bij een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing op verzoek de mogelijkheid bestaat de verliesaanspraken mee te geven aan de verkrijgende rechtspersonen.3 Na de zuivere splitsing zijn deze meegegeven verliezen met inachtneming van een winstsplitsing verrekenbaar met de winst van deze verkrijgers.4 Het voordeel van een partiële doorschuifmogelijkheid is dat de splitsende rechtspersoon zijn verliesaanspraken (deels) kan verrekenen met de splitsingswinst.5 Dat voorkomt in het geval van een afsplitsing dat deze verliesaanspraken bij hem achterblijven waardoor deze verliezen na de afsplitsing feitelijk niet of in mindere mate kunnen worden verrekend.6 Het object (vermogen) dat deze verliezen in het verleden heeft veroorzaakt, is namelijk geheel of gedeeltelijk overgegaan naar de verkrijger(s). In het geval van een zuivere splitsing kan met een partiële doorschuifmogelijkheid worden voorkomen dat verliezen verloren gaan of worden meegegeven waarna bewerkelijke winstsplitsingsregels gelden.
Bij het voorgaande past een belangrijke nuancering. Met ingang van 2022 veranderen de regels voor verliesverrekening in de Wet VPB 1969. Er gaat onder meer een verliesverrekeningstemporisering gelden. Voor zover de belastbare winst in een jaar meer bedraagt dan € 1 miljoen, zal slechts de helft daarvan beschikbaar zijn voor verrekening met verliezen uit andere jaren. De andere helft wordt per definitie belast met vennootschapsbelasting.7 Mocht de wetgever in de toekomst besluiten om een partiële doorschuifmogelijkheid te introduceren, dan moet hiermee rekening worden gehouden. Als namelijk geen flankerende maatregelen worden getroffen, zal een splitser de splitsingswinst hoogstwaarschijnlijk tot maximaal € 1 miljoen in aanmerking nemen. Een hoger bedrag aan splitsingswinst leidt immers tot acuut verschuldigde vennootschapsbelasting.8