Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.4.4.2
6.4.4.2 De mate van schuld: het element ‘grove’ in grove schuld
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940633:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Rb Gelderland 16 januari 2019, V-N 2019/24.11, r.o. 11, waarin (terecht) wel wordt vastgesteld dat de boeteling had kunnen en ook had moeten begrijpen dat zijn handelwijze onjuist was, maar niet duidelijk uit de verf komt waarom dat verwijt in zijn concrete geval dermate ernstig is (wat laakbaarheid betreft aan opzet grenzend) dat het ook daadwerkelijk grove schuld oplevert. Dit aspect ontbreekt ook in de onderbouwing van de grove schuld in Rb Gelderland 22 oktober 2019, V-N 2020/9.16, r.o. 15.
Zie reeds HR 14 maart 1979, BNB 1979/118, alsmede HR 19 december 1990, BNB 1992/217.
HR 10 juni 2011, V-N 2011/29.8, BNB 2011/224, FED 2012/16, r.o. 3.3. Vgl. voorts Hof Amsterdam 13 januari 2011, V-N 2011/26.18.18 (het nalaten van nader onderzoek is op zichzelf niet voldoende).
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 14 juni 2022, V-N 2022/42.21, r.o. 11 en Hof Amsterdam 7 juli 2011, V-N 2011/44.4, NTFR 2011/1885, r.o. 6.4. Het Hof grondde zijn bezwaren in laatstgenoemde zaak met name in het mededelingsvereiste van art. 6 lid 3 onder a EVRM. Zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.4.2. Zie voorts Hof Den Haag 10 juli 2018, V-N 2018/65.19, r.o. 7.9, Hof Amsterdam 12 juli 2016, FutD 2016/1961, r.o. 5.4.6 en Hof Amsterdam 18 september 2014, V-N 2014/65.30.24 (waarin het Hof de Rechtbank terecht corrigeerde).
Zie de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws in V-N 2019/58.17 en in V-N 2021/29.4.
Ter illustratie: zie de noot van Haas bij HR 29 mei 2015, BNB 2015/146, punt 3.9.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 17 mei 2016, V-N 2016/39.1.1, r.o. 7.24. Zie voorts het slot van de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij Hof ’s-Hertogenbosch 31 december 2020, V-N 2021/17.22.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2015, V-N 2015/40.12, r.o. 4.20. In het verleden werd – op grond van destijds bestaand boetebeleid – binnen de gradatie grove schuld onderscheid gemaakt tussen een ‘normaal geval’ en een ‘meer ernstige vorm’ van grove schuld, waardoor deze varianten ook tegenwoordig nog wel eens willen opduiken. De Hoge Raad heeft een dergelijk onderscheid echter afgewezen, zie HR 4 juli 1990, BNB 1991/331 en HR 10 juni 1992, BNB 1993/17.
Hof Amsterdam 15 januari 1985, BNB 1986/329. Vgl. in dit verband de praktijk die in de sfeer van de toeslagen heeft bestaan en inhield dat louter de overschrijding van een grensbedrag de kwalificatie opzet/grove schuld (‘O/GS’) opleverde, zie de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 6 juli 2021, V-N 2021/31.24.
HR 31 maart 2023, V-N 2023/16.16, r.o. 3.7.4-3.7.5. Nadat de Hoge Raad had geconcludeerd dat dergelijke omstandigheden naar hun aard geen opzet opleveren (zie daarover nader paragraaf 6.4.3.2), verwees de Hoge Raad de zaak om te onderzoeken of het (subsidiaire) verwijt van grove schuld (wellicht wel) terecht was.
Zie voor een voorbeeld waarin deze objectieve normstelling duidelijk uit de verf komt Hof ’s-Hertogenbosch 31 december 2020, V-N 2021/17.22, m.n. r.o. 4.5-4.6.
Zie voor enkele voorbeelden waarin een dergelijke Garantenstellung een rol speelde: Hof ’s-Hertogenbosch 19 september 1994, FED 1995/425, Hof Arnhem 7 juni 2006, V-N 2006/50.2, Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/35.6, r.o. 4.11, Hof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2018, V-N 2019/15.14, r.o. 4.10-4.11, Rb Gelderland 16 januari 2019, V-N 2019/24.11 en Hof ’s-Hertogenbosch 17 oktober 2019, V-N 2020/8.1.4.
Zie bijvoorbeeld HR 9 december 1987, BNB 1988/75 en HR 29 maart 1995, BNB 1995/155. Zie hieromtrent ook Feteris 2007, p. 349.
Het element ‘grove’ dient, als onderdeel van de schuldgradatie ‘grove schuld’, afzonderlijk te worden gesteld en bewezen. Uitdrukkelijk moet dus ook de mate van de slordigheid, onachtzaamheid of nalatigheid uit het dossier naar voren komen. De inspecteur en de feitenrechter kunnen in de verleiding komen om dit aspect uit het oog te verliezen.1 De Hoge Raad is echter streng en casseert uitspraken waarin de mate van schuld niet is gespecificeerd, onvoldoende is onderbouwd, of waarin de feiten en omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat er sprake is van een zodanig zware vorm van schuld, dat die in laakbaarheid aan opzet grenst.2 Het feitelijke oordeel dat van een inhoudingsplichtige, die had verzocht om uitreiking van aangiftebiljetten, maar deze niet ontving, daarom niet kon afdragen maar de afdrachtsschuld (wel) op de balans had vermeld, ‘een meer adequaat optreden verwacht had mogen worden’, is bijvoorbeeld ontoereikend voor de gradatie grove schuld.3 Daarmee was immers slechts gesteld dat er sprake was van nalatigheid, door geen aanvullende actie te ondernemen ter verkrijging van de aangiftebiljetten en de bijbehorende betalingskenmerken. Daaruit volgt echter niet hoe ernstig dat niet-optreden precies was: de grondslag voor het verwijt van ‘grove’ schuld ontbrak derhalve. Ook de feitenrechter lijkt in het recente verleden strenger toe te zien op dit aspect,4 hetgeen in de literatuur gesteund wordt.5
Wanneer de schuld voldoende ernstig is om als ‘grove’ schuld te gelden, is een vraag van sterk feitelijke aard.6 Wel is duidelijk dat de inspecteur, om een zodanig ernstig verwijt hard te kunnen maken, concrete, op de situatie van de belastingplichtige toegesneden feiten en omstandigheden zal moeten aandragen.7 Ook op het eerste oog tamelijk forse missers rechtvaardigen niet zomaar de kwalificatie ‘grove’ schuld: de mate van nalatigheid moet immers dermate groot zijn dat deze qua laakbaarheid aan opzet grenst.8 Een omstandigheid als de omvang van het bedrag aan belasting zal (mede) daarom op zichzelf onvoldoende zijn voor de kwalificatie grove schuld.9 De Hoge Raad sluit echter niet uit dat een dergelijke omstandigheid (vermoedelijk in combinatie met andere omstandigheden) grove schuld oplevert.10
Op dit punt bestaat ook een relatie met de aard van het verwijt (had kunnen of had moeten): in zekere zin impliceert die aard een objectieve normstelling van buitenaf.11 Een probleem daarbij kan bijvoorbeeld zijn dat moet worden vastgesteld hoeveel kennis van het belastingrecht van de belastingplichtige mag worden verwacht.12 In het verlengde daarvan kan het verwijt erin zijn gelegen dat de belastingplichtige geen adviseur in de arm heeft genomen, of de zaak niet aan de inspecteur heeft voorgelegd, terwijl hij moest beseffen dat hij de fiscale problematiek ten ene male onvoldoende overzag of sterke aanwijzingen had om aan zijn standpunt te twijfelen.13