Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.17.4:7.3.17.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.17.4
7.3.17.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602956:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 28 Wet VPB 1969 zou naar mijn mening op een aantal punten kunnen worden verduidelijkt. In de eerste plaats zou in art. 28 lid 2 onderdeel c onder 2° Wet VPB 1969 in plaats van de tekst ‘twee of meer lichamen die met elkaar zijn verbonden’, kunnen worden verwezen naar het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969. Voorts zou de 25%-toets van art. 28 lid 2 onderdeel c onder 1° Wet VPB 1969, op grond waarvan een natuurlijke persoon geen belang van 25% of meer in de fbi mag houden, kunnen worden vervangen door een verwijzing naar het begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’ zoals omschreven in art. 10a lid 5 Wet VPB 1969. Voor het 25%-criterium dat geldt voor de bestuurders- en commissarissentoets van art. 28 lid 2 onderdeel f Wet VPB 1969 zou ook het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 als uitgangspunt kunnen dienen.
Wellicht zouden ook de 45%-toets en de 75%-toets van art. 28 lid 2 onderdeel c onder 2° en onderdeel d onder 2° Wet VPB 1969 kunnen worden vervangen door een meer algemeen verbondenheidscriterium dat bijvoorbeeld is gebaseerd op een ‘belang’ van 331/3%. De 25%-toetsen in art. 28 lid 2 onderdeel c ten eerste en onderdeel e Wet VPB 1969 zouden dan ook door een dergelijk criterium kunnen worden vervangen. Voor het verbondenheidsbegrip van art. 13a lid 1 Wet VPB 1969 zou dan ook kunnen worden aangesloten bij het begrip ‘een derde gedeelte belang’ van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969.
Daarbij zou de bestuurders- en commissarissentoets van art. 28 lid 2 onderdeel f Wet VPB 1969 overbodig zijn, mits onder ‘belang’ voortaan ook de deelname in de leiding zou worden verstaan.