Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.1:7.2.1 Wenselijkheid van klachtdelicten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.1
7.2.1 Wenselijkheid van klachtdelicten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946192:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 2, paragraaf 4.3. Minister van Justitie De Ruiter achtte begin jaren ’80 de zienswijze dat het bijzonder belang groter nadeel kan lijden door het instellen van vervolging dan het algemeen belang nadeel ondervindt door het achterwege blijven van vervolging “in het algemeen nog steeds juist”.
Handelingen II 1998-1999, nr. 98, p. 5699. Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 2, paragraaf 4.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alvorens in te gaan op de vraag hoe een regeling van klachtdelicten in de moderne rechtspleging invulling moet krijgen, dient eerst de vraag te worden beantwoord of het bestaan van klachtdelicten in de Nederlandse rechtspleging wenselijk is. Dat is mijns inziens het geval.
In hoofdstuk 5 is genoegzaam uiteengezet dat de rechtsfiguur van het klachtdelict geen anomalie in de strafrechtspleging is die afbreuk zou doen aan het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. Ook klachtdelicten zijn immers strafbare feiten die de wetgever in het algemeen belang van overheidswege wenst te bestraffen. Dat een slachtoffer het recht wordt gegeven om de vervolging van het strafwaardig geachte gedrag te beletten, is niet meer dan een nadere normering van het aan het openbaar ministerie toebedeelde vervolgingsrecht. Het klachtvereiste doet geen afbreuk aan het vervolgingsmonopolie, want het openbaar ministerie blijft verantwoordelijk voor de vervolging van verdachten van klachtdelicten. Zolang de klacht geen richtinggevende sturing geeft aan de opportuniteitsbeslissing van het openbaar ministerie worden ook de aan het vervolgingsmonopolie ten grondslag liggende argumenten niet ondergraven door deze rechtsfiguur. Strafmacht wordt in dat geval immers niet door het individu geïnitieerd, maar uitsluitend door het openbaar ministerie en slechts indien het algemeen belang daarbij is gebaat. De regeling van klachtdelicten maakt simpelweg onderdeel uit van het wettelijke kader waarvan het openbaar ministerie zich rekenschap moet geven bij de op grond van art. 124 Wet RO toebedeelde taak om de rechtsorde te handhaven. Mijn conclusie is dan ook dat de uitgangspunten van het strafrechtelijke systeem en de centrale rol die daarbinnen aan het openbaar ministerie is toebedeeld geenszins worden ondermijnd door de rechtsfiguur van het klachtvereiste. Daarin ligt dus geen argument besloten om afstand te doen van klachtdelicten.
Het behoud van de regeling van klachtdelicten is echter niet alleen vanuit theoretisch perspectief verdedigbaar, het verdient mijns inziens vanuit praktisch oogpunt ook de voorkeur. De rechtsfiguur draagt bij aan het functioneren van de strafrechtspleging doordat de wetgever bij bepaalde delicten het overheidsingrijpen strakker kan reguleren en voorrang kan verlenen aan het private belang van de door het feit getroffene. Dat gebeurt ter voorkoming van secundaire victimisatie. De wetgever acht het gedrag strafwaardig en stelt dat strafbaar, maar erkent dat een vervolging van het feit de klachtgerechtigde dusdanig zwaar kan treffen dat dit zwaarder moet weten dan het ter verantwoording roepen van de dader. Op die duidelijke grondslag zijn klachtdelicten in 1886 bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht gestoeld en de waarde van dit grondbeginsel is nadien meermaals onderschreven. 1Zo wees initiatiefwetgever Dittrich er in de parlementaire discussie voorafgaand aan de invoering van het klachtdelict belaging in 2000 op dat “het slachtoffer zelf over de hefboom moet kunnen beschikken om het tot een politieonderzoek en vervolging te laten komen”. 2Er is daarmee sprake van een nuttige rechtsfiguur waarmee de wetgever bepaald gedrag strafbaar kan stellen zonder uit het oog te verliezen dat in sommige gevallen vervolging onwenselijk is vanwege de te verstrekkende gevolgen daarvan voor het slachtoffer dat reeds door het feit is getroffen. De regeling van klachtdelicten sluit dan ook opvallend goed aan op de ontwikkeling die de laatste decennia plaatsheeft in de strafrechtspleging waarbij het slachtoffer steeds meer een eigenstandige positie heeft, zijn belangen binnen de strafrechtspleging een grotere rol spelen en de voorkoming van secundaire victimisatie nadrukkelijker wordt nagestreefd.
Het is daarbij onvermijdelijk dat het binnen deze wettelijke constellatie aan de getroffene wordt gelaten om te beoordelen of zijn private belang dusdanig zwaar weegt dat vervolging achterwege moet blijven. Het is alleen de klachtgerechtigde die ten aanzien van absolute klachtdelicten kan beslissen of hij de ruchtbaarheid van een vervolging wil dragen en of hij ten aanzien van relatieve klachtdelicten de gevolgen accepteert die een vervolging kan hebben voor de familiebanden. Het is namelijk niet de objectieve vaststelling dat een vervolging nadelige gevolgen kan hebben voor het slachtoffer die centraal staat, het gaat om de vraag of de klachtgerechtigde bereid is de hiervoor omschreven negatieve neveneffecten te dragen die een vervolging voor hem met zich kan brengen. Die persoonlijke afweging kan logischerwijs alleen het door het feit getroffen individu zelf maken.
Ook om een tweede reden is het aangewezen de toepassing van het vervolgingsbeletsel afhankelijk te maken van een actie van de persoon die door het feit is getroffen. Aan klachtdelicten ligt immers de idee ten grondslag dat bij het uitblijven van een klacht strafrechtelijke rechtshandhaving volledig achterwege blijft, omdat zowel opsporing als vervolging het belang van de klachtgerechtigde kan schaden. Dit betekent dat de vraag naar de wenselijkheid van de vervolging niet moet worden beantwoord binnen het traject van rechtshandhaving, maar dat het is aangewezen daarover duidelijkheid te verkrijgen voorafgaand aan dat traject. Dat is de beste manier om te voorkomen dat tekort wordt gedaan aan het belang dat de regeling van klachtdelicten poogt te beschermen. Dat belang wordt veel minder gediend indien de wens van de klachtgerechtigde bijvoorbeeld in de opportuniteitstoets van het openbaar ministerie zou worden verdisconteerd. Er zal in dat geval immers al enige opsporing moeten zijn verricht alvorens het openbaar ministerie een gedegen oordeel kan vellen. Het slachtoffer heeft in dat geval dus niet daadwerkelijk het recht in handen om de zaak te laten rusten.
De slotsom is dat bij de vervolging van klachtdelicten de daarbij betrokken belangen worden gewogen door achtereenvolgens de wetgever, de klachtgerechtigde en het openbaar ministerie. Het publieke belang moet door de wetgever in abstracto redengevend worden geacht voor strafbaarstelling, waarbij de wetgever vervolging van het feit voorts in zijn algemeenheid ondergeschikt moet achten aan het private belang dat een getroffene kan hebben bij het achterwege blijven van vervolging. Zodra een klachtdelict is gepleegd, is het aan de klachtgerechtigde om te beslissen of hij de gevolgen van een eventuele vervolging van een verdachte van dat feit wenst te dragen. Daaropvolgend moet het openbaar ministerie aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval bepalen of het algemeen belang dusdanig is gebaat bij vervolging dat vervolging is aangewezen. Al met al is sprake van een complexe structuur waarbij diverse partijen op uiteenlopende momenten en op verschillende wijze belangen afwegen. Daarbij is de weging van het persoonlijke belang van de direct getroffene terecht aan hemzelf voorbehouden en is het een wenselijk uitgangspunt dat die weging plaatsvindt voordat wordt opgespoord en vervolgd.