Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.2.5.5:III.2.5.5. Conclusie
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/III.2.5.5
III.2.5.5. Conclusie
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS580330:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Erbverzichtsvertrag is geen uiterste wilsbeschikking, doch een rechtshandeling onder levenden, met werking na overlijden, waarop in beginsel de algemene regels van het overeenkomstenrecht van toepassing zijn. In die zin kan men niet spreken van contractueel erfrecht. Het Erbverzicht wordt gezien als een methode om al tijdens leven de op stapel staande vererving gestalte te geven: ‘vorweggenommene Erbfolge’. Door het ‘Verzicht’ wordt degene die afstand doet in beginsel uitgesloten van het versterferfrecht en de legitimaire rechten. In de regel, zo bleek, geschiedt de afstand om baat. Degene die in de Nederlandse erfrechtpraktijk werkzaam is, zou zich wellicht bij al de mogelijkheden van het Verzichtsvertrag de vingers aflikken. Op zich ongekende mogelijkheden voor maatwerk, zo lijkt het. Of valt het gemis wel mee, mede gelet op de gevaren die aan het ‘Erbverzicht’ verbonden zijn en het feit dat een modern erfrecht voorhanden is?
Tabel 7
De respondenten zijn verdeeld, zo blijkt uit tabel 7, over het vraagstuk of door een legitimaris tijdens het leven van erflater bij notariële akte afstand gedaan zou moeten kunnen worden van zijn legitimaire rechten (vraag 7).
Totaal (239)
Familiepraktijk (36)
Ja, afstand moet mogelijk zijn
60%
44%
Nee, afstand mag niet mogelijk zijn
40%
56%
Als men ziet in welk kader het Verzicht wordt ingezet, dan is het de vraag of wij dit instituut erg missen. In par. 2.5.3 van dit hoofdstuk haalde ik Schlüter aan om het belang van de figuur voor de praktijk te schetsen. Hij noemt als motief voor het gebruik het verkomen dat (agrarische) ondernemingen door legitimaire aanspraken het loodje zouden leggen, evenals het scheppen van de ruimte voor ouders om aan bepaalde kinderen al tijdens hun leven het erfdeel te geven om zo een bestaan op te kunnen bouwen.
Nu met het nieuwe erfrecht in Nederland een verbintenisrechtelijke legitieme bestaat en de legitieme breuk in alle gevallen slechts de helft bedraagt, zie ik geen noodzaak voor een figuur als het Duitse Erbverzicht. Zeker niet als men de toepassing van het Erbverzicht in de praktijk beziet, zoals blijkt uit de literatuur. Ik wijs nog op het bestaan van art. 4:70 BW. Al hetgeen een legitimaris krachtens schenking verkrijgt, wordt in mindering gebracht op zijn legitieme. In die zin kan aan een kind zijn erfdeel/legitieme ook in Nederland tijdens leven worden uitgekeerd, zonder dat een kind bij het overlijden ‘nogmaals’ meedeelt. Daarnaast is van belang dat voor de berekening van de legitieme de waarde ten tijde van de gift als uitgangspunt geldt (art. 4:66 BW). Waardestijgingen van geschonken goederen blijven in beginsel buiten beschouwing, zodat de erflater meer ruimte heeft dan onder het oude erfrecht.
Ook de regeling van de inbreng in art. 4:229 BW e.v. moet in dit kader vermeld worden. Erflater kan zonder problemen de goederenrechtelijke versplintering van een onderneming voorkomen. Een onverdeeldheid hoeft immers niet meer te ontstaan.
Ook kan, zo gewenst, vermeden worden dat in economische zin problemen ontstaan voor de continuïteit van de onderneming. Art. 4:74 BW geeft een voorziening, waarmee wij uit de voeten kunnen. Wel is het noodzakelijk dat deze clausule ook gekoppeld kan worden aan de opleg bij een quasi-legaat en bovendien contractueel ingezet kan worden, zoals in par. 3.3.3 van hoofdstuk IV en par. 6 van dit hoofdstuk VI zal worden betoogd.
Aan het Erbverzicht bestaat mijns inziens daarom geen behoefte, temeer daar het Erbverzicht, zoals in par. 2.5.4 van dit hoofdstuk beschreven, een ‘Riskogeschäft’ is.