Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.4.3:3.4.3 De bijzondere Eingriffskondiktion van §816 BGB
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.4.3
3.4.3 De bijzondere Eingriffskondiktion van §816 BGB
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496261:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Volgens een minderheidsopvatting in de literatuur moet B de objectieve waarde van de zaak vergoeden; zie bijvoorbeeld Lorenz 2007, §816, nr. 25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
§816 regelt twee bijzondere gevallen waarin een rechthebbende door een handeling van een onbevoegde wordt verarmd. Het gaat om bepaalde handelingen die een inbreuk vormen op rechten (lid 1) of op rechtsposities (lid 2) en daarom wordt §816 gezien als een bijzondere Eingriffskondiktion. Lid 1 ziet op het geval waarin de verrijkingsschuldenaar onbevoegd beschikt over een goed, waarbij de beschikking kan worden tegengeworpen aan de rechthebbende. De rechthebbende kan dan van de schuldenaar afdracht vorderen van hetgeen deze heeft verkregen. Als de schuldenaar geen tegenprestatie heeft verkregen, kan de rechthebbende de zaak terugvorderen van de verkrijger. Een voorbeeld: A is eigenaar van een zaak, die door B wordt verkocht en onbevoegd wordt geleverd aan C. C verkrijgt de eigendom als hij gerechtvaardigd vertrouwt op de bevoegdheid van B. A heeft recht op afdracht van de koopprijs die B van C heeft ontvangen.1 Wanneer de B de zaak niet heeft verkocht maar geschonken aan C, heeft A uit hoofde van §816 een vordering (een persoonlijk recht) tegen C tot teruggave van de zaak.
Lid 2 ziet op het geval waarin een onbevoegde een prestatie in ontvangst neemt en dit aan de gerechtigde tot die prestatie kan worden tegengeworpen. De gerechtigde heeft dan een vordering tegen de onbevoegde ontvanger tot afdracht van de prestatie. De bepaling is vooral van belang wanneer een schuldenaar bevrijdend is nagekomen aan een inningsonbevoegde. De gerechtigde kan dan afdracht vorderen van de inningsonbevoegde.