De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/2.5:2.5 Twee verjaringsvragen van dogmatische aard
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/2.5
2.5 Twee verjaringsvragen van dogmatische aard
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366528:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot de twee verjaringskwesties die niet zozeer enige positiefrechtelijk regel betreffen, maar een wat meer abstract, dogmatisch karakter dragen. Het gaat om het volgende.
De mogelijkheid van rechtsverwerking door louter stilzitten vóór ommekomst van de verjaringstermijn. De hoofdregel luidt dat rechtsverwerking wegens het niet instellen van de vordering niet mogelijk is; voor verlies van recht door louter tijdsverloop hebben we immers de verjaring al. Die verjaring kent vaste termijnen en als wij buiten die termijnen ook rechtsgevolg aan louter tijdsverloop gaan toekennen, frustreert dat de rechtszekerheid die die vaste termijnen dienen. Onder het oude recht sauveerde de Hoge Raad echter regelmatig beslissingen waarin de rechters naar woord die regel respecteerden, maar naar daad eigenlijk niet: in feitelijke instanties werd dan nadrukkelijk overwogen dat er meer aan de hand was dan alleen stilzitten, maar wat dat meerdere dan was bleek vervolgens niet uit de feiten. Met de verkorting van de verjaringstermijnen ten opzichte van het oude recht heeft dit probleem iets aan praktisch belang ingeboet, maar nog steeds kan zich de vraag voordoen, bijvoorbeeld, of men ongestraft zonder reden 4,5 jaar kan wachten met het nemen van juridische actie terwijl vaststaat dat de debiteur door die nodeloze vertraging ernstig in zijn bewijs- en rechtszekerheidsbelang is geschaad.
Het verschil tussen verjarings- en vervaltermijnen en de keuze voor de een of de ander. Verjaring kan men stuiten en heeft als gezegd de ondergang van de rechtsvordering tot gevolg, niet de ondergang van de vordering zelf. Verval kan men niet stuiten en heeft de ondergang van de vordering tot gevolg, niet louter de ondergang van het vorderingsrecht. Sommige vorderingen worden beheerst door vervaltermijnen, andere door verjaringstermijnen. Waarom zou men de ene vordering onderwerpen aan een vervaltermijn en de andere aan een verjaringstermijn? Waarom is er eigenlijk überhaupt het verschil tussen verval- en verjaringstermijnen. Hebben ze uiteenlopende doelen? Van vervaltermijnen wordt wel gezegd dat zij in hogere mate dan verjaringstermijnen het algemeen belang dienen. Maar moeilijk valt toch vol te houden, bijvoorbeeld, dat de vervaltermijn van tien jaar in geval van productenaansprakelijkheid het algemeen belang in hogere mate dient dan de twintigjarige verjaringstermijn die voor andere schadevergoedingsvorderingen geldt. Omdat het verschil tussen verval en verjaring niet alleen gelegen is
in hun gevolg — de praktische betekenis daarvan is betrekkelijk —, maar ook in de mogelijkheid tot stuiten — de praktische betekenis daarvan is groot —, is dit onderwerp niet zo academisch als het vorige.