Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/V.G
V.G. GEOORLOOFDE OF ONGEOORLOOFDE DELEGATIE?
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407148:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie W.M. KLEYN, In hoeverre kan een testateur ten aanzien van de inhoud van zijn uiterste wilsbeschikkingen delegeren aan derden? WPNR (1969) 5047.
Zie over de duidelijkheden en onduidelijkheden die op dit terrein nog bestaan ook het verslag van A. ROOKMAKER, De grenzen van delegatie van erfrechtelijke bevoegdheden,KWEP, september 2003.
Zie MvA 3771, nr. 6, p.78.
FWJ.M. SCHOLS, Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 115.
Zie hierover FWJ.M. SCHOLS, Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 115. In de terminologie van VAN MOURIK, Nieuw Erfrecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 95 zou men in de plaats van 'het verbod van willekeur' kunnen spreken van het 'voldoende bepaalbaar-heidsvereiste'.
HR 2 maart 1966, BNB 1966, 106.
HR 30-9-1925, PW 12040.
NIEDER, Handbuch derTestamentsgestaltung, 2000, Munchen: C.H. Beck, p. 648.
LANGE/KUCHINKE, Erbrecht, Munchen: C.H. Beck 2001, p. 1151.
NIKOLA HALDING-HOPPENHEIT, Verbot der Drittbestimmung im Erbrecht (diss. Freiburg), Koln: Eul Verlag 2003, p. 84.
VAN MOURIK, Nieuw Erfrecht, Deventer: Kluwer 2004, nr. 81.1 vindt van belang dat de erflater zelf in zijn testament nadere instructies geeft omtrent de wijze van verdeling. Dit is bij een quasi-wettelijke verdeling het geval. De Zwitsers hebben het overigens niet zo staan op delegatie aan de Willensvollstrecker, terwijl ze de 'Grundsatz der Hochtspersonlichkeit' aan het Duitse recht (§ 2064 BGB) ontlenen. RENE JUCHLER, Anfang und Ende der Willensvollstreckung (diss. Zurich) 1999, p. 44, drukt het als volgt uit: 'Die heutige Lehre undRechtsprechung halt diesen Grundsatz nunmehr fur unbestritten, obwohl er explizit nicht im Gesetz enthalten ist.' HANS RAINER KUNZLE, Der Willensvollstrecker im schweizerischen undUS-amerikanischen Recht (Habilitationsschrift Zurich 1998), Zurich: Schulthess Juristische Medien 2000, p. 303 is eveneens streng: 'Der Erblasser darf in der letztwilligen Verfugung nicht anordnen, dass der Willensvollstrecker die Teilung nach ei-genem Gutdunken durchfuhren konne. Ein derartig weit gefasstes Ermessen verstosst ge-gen die materielle Hochstpersonlichkeit der letztwilligen Verfugung undmacht eine ents-prechende Anordnung unwirksam.' Mijns inziens dient hierbij de kanttekening gemaakt te worden dat degene die een bepaald goed krijgt toebedeeld niet een willekeurige derde is, maar altijd een van de deelgenoten. In zoverre is bij een 'afwikkelingsbewind' de kring van verkrijgers beperkt.
Zie LUTZ MICHALSKI, BGB-Erbrecht, Heidelberg: C.F Muller Verlag 1999, p. 66.
Zie WM. KLEYN, Kan de testateur de invulling van zijn uiterste wil delegeren, JBN 1996nr. 59.
Executele, afwikkelingsbewinden het leerstuk van ongeoorloofde delegatie worden nog al eens met elkaar in verband gebracht. Dit is niet altijd even terecht. Want vaak gaat het bij deze rechtsfiguren slechts om de nakoming van de wil van erflater en niet om de invulling van de inhoud van zijn uiterste wil.1 Net als het Duitse 'Hochstpersonlichheitsgebot' van § 2064 en 2065 BGB vinden we in art. 4:42 lid 3 BW de regel dat een uiterste wilsbeschikking alleen door erflater persoonlijk kan worden gemaakt. Veel meer vindt men in de wet over het leerstuk ongeoorloofde delegatie niet.2 Dit persoonlijke karakter heeft twee aspecten. Een formeel aspect: het maken van uiterste wil door middel van een gevolmachtigde is niet toegelaten. En een materieel aspect: erflater bepaalt zelf de inhoud van de uiterste wil en is zelf daarvoor verantwoordelijk.
Ten aanzien van de erfstelling is er uberhaupt geen speelruimte3 voor een derde om de inhoud van de erfstelling te bepalen, en derhalve ook niet voor een executeur of bewindvoerder. F. Schols wijst op het feit dat men wat de erfstelling betreft ook nog een delegatieverbod zou kunnen lezen in de in art. 4:115 BWopgenomen woorden'daarbij aangewezen personen'.4
Op het ogenblik van overlijden moet de erfgenaam vaststaan.
Ten aanzien van een legaat is er enige speelruimte voor delegatie, aangezien de minister in de parlementaire geschiedenis heeft opgemerkt dat ondanks het persoonlijke karakter van de uiterste wil, wel de mogelijkheid blijft bestaan dat de erflater in zijn uiterste wil een derde aanwijst die zal bepalen wie van verscheidene door de erflater genoemde personen het legaat zal genieten.
De grens is gelegen in het verbodvan willekeur.5
Let wel: de kring van voor het legaat in aanmerking komende personen is door erflater en niet door de derde bepaald. Vanzelfsprekend zou deze als derde betitelde persoon de executeur of bewindvoerder kunnen zijn. Nagenoeg onbeperkte mogelijkheden om zijn uiterste wil te delegeren zijn gelegen in de testamentaire last. De ondergrens om nog te kunnen spreken van testamentaire last is slechts dat het moet gaan om een door erflater opgelegde 'verplichting'. Hoe concreet omschreven dient deze verplichting te zijn? Op dit gebied bestaat zeer ruimhartige jurisprudentie. Zo werd door de Hoge Raad6 toegelaten de last het krachtens erfrecht verkregen bedrag uit te keren binnen zes maanden na het overlijden aan weldadige instellingen, waarbij de verkrijger de keus hadwelke instellingen een bedrag zouden krijgen en welk bedrag. De Hoge Raad was al eens eerder zo ver gegaan toen toegelaten werd de delegatie in de vorm van een last inhoudende dat de verkrijger een bepaaldbedrag moest besteden voor die personen, inrichtingen of stichtingen die naar het oordeel van de verkrijgers daarvoor in aanmerking kwa-men.7 Wat betreft de inhoud van de last zijn er zo goed als geen beperkingen. Dit is ook niet zo vreemd als men bedenkt dat tegenover de last geen vorderingsrecht staat.Wel blijft nog de vraag aan welke personen erflater zijn wil kan delegeren. Kan iedereen, iedere willekeurige derde, oordelen of keuzes uitbrengen? Neen. Een last kan blijkens art. 4:130 lid1 BW slechts opge-legdworden aan erfgenamen en legatarissen. Er is echter meer. In het tweede lid van art. 4:130 BW komen de leerstukken executele en delegatie bij elkaar. Er kan niet zomaar een last opgelegdworden aan een willekeurige derde, doch slechts aan een persoon met de titel 'executeur'. De aanwijzing van een derde zou onder omstandigheden - zoals hiervoor gezien - ook ge-converteerdkunnen worden in een executeurbenoeming. De enige taak van deze executeur zou dan alleen het uitvoeren van de betreffende last zijn.
Het scharnierpunt voor de oplossing van het vraagstuk van de binnen de grenzen van ons gesloten stelsel maximaal toegelaten delegatie is mijns inziens te vinden in art. 4:130 lid 2 BW. Met betrekking tot het invullen van de inhoud van de in de uiterste wil opgenomen verplichting door een derde,is derhalve een belangrijke rol weggelegd voor de executeur.
Afwikkelingsbewinden delegatie raken elkaar in zoverre niet, dat de waarde van de verkrijgingen wordt bepaald op grond van de uiterste wil. De afwikkelingsbewindvoerder bepaalt niet wie erfgenaam is en niet de omvang van het erfdeel. Hij wikkelt blijkens art. 4:172 BWals vertegenwoordiger van de erfgenamen slechts de nalatenschap af en verdeelt de nalatenschap met inachtneming van de gerechtigdheid tot de nalatenschap die door erflater in zijn uiterste wil is vastgesteld. Men zou de bevoegdheid van de afwikkelingsbewindvoerder weer kunnen vergelijken met een onherroepelijke volmacht van erflater aan een derde. Deze volmacht werkt op grond van art. 3:74 BW in beginsel na overlijden door en heeft ook geen invloed op de vaststelling van de erfgenamen en de erfdelen. Op grond van art. 3:77 BW worden de erfgenamen wel door de handeling van de vertegenwoordiger gebonden als had erflater de rechtshandeling zelf verricht. Geen delegatieproblemen derhalve.
Ik merk voorts op dat ook bij een Teilungsanordnung op grond van § 2048 BGB het slechts gaat om de verdeling van de nalatenschap en niet om de vaststelling van de erfgenamen en de erfdelen. Oftewel de zuivereTeilungsanord-nung is niet 'wertverschiebend'.8 Nog anders gezegd:9
'der Wille des Erblassers darf jedoch allein auf die Durchfuhrung der festste-henden Erbfolgeregelung, nicht auf daruber hinausgegehende Zuwendungen gerichtet sein'.
Voor het Duitse recht leert Nikola Halding-Hoppenheit in haar dissertatie met de sprekende titel 'Verbot der Drittbestimmung im Erbrecht' dat § 2048 BGB, waarin erflater wordt toegestaan de verdeling aan een derde over te laten, een regel is:10 'welche zwar die Enstschaltung eines Dritten in einem bestimmten Fall gestattet, diesem aber nicht direkt die Bestimmung des Bedachten oder des Zuwendungsgegenstandes uberlasst'.11 Niet onvermeld mag blijven de ruimte die ook in het Duitse recht gegeven wordt aan de testamentaire last, de 'Auflage'.
Een heel vergaande uitzondering op het Hochtspersonlichheitsgebot vinden we in § 2193 BGB, waar de zogeheten 'Zweckauflage' geregeld is. Erflater bepaalt slechts welk doel de last heeft. Het bereiken van het doel is de enige verplichting. De concrete invulling kan hij zelfs aan een derde overlaten.Voor ons recht zou in deze voor 'derde' wederom gelezen kunnen worden de executeur en/of eventueel afwikkelingsbewindvoerder.
Overigens gaat mijns inziens het delegatieverbod in relatie tot het gesloten stelsel niet zo ver dat erflater niet zou kunnen bepalen dat de executeur ofbe-windvoerder de hulp12 van een derde (bijvoorbeeld een deskundige) zou kunnen inroepen bij het nemen van een beslissing. Hier blijft de executeur of bewindvoerder 'eindverantwoordelijk' voor de beslissing. Hij legt rekening en verantwoording af. Niet de derde-deskundige.
Dat de Hoge Raad ook in recente jurisprudentie nog steeds geen moeite heeft met delegatie in de vorm van een testamentaire last, is ook af te lei-den13 uit HR 17 januari 1996, BNB 1996/112c, waar verwezen wordt naar het beginsel van testeervrijheiden geleerdwordt dat met dit beginsel als uitgangspunt aan de betreffende beschikking voorwaarden en voorzieningen verbonden kunnen worden.