Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/6.4
6.4 De verdachte en zijn raadsman: het verdenkingsbegrip, verdedigingsrechten en de bezwaarprocedure
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Sliedregt, 'Het verdenkingsbegrip', in: Jurisprudentie Strafrecht Select (2006), p. 7.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 88-89.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 89.
Aldus het eerste deel van de aangehaalde overwegingen van het gerechtshof Arnhem in BR 8 februari 2000, LJN AA4742, par. 3.3.
HR 14 september 1992, NJ 1993/83.
BR 12 december 2009, LJN BJ8622. Zie ook BR 11 maart 2008, NJ 2008/328; 5 januari 2010, NbSr 2010/49 en 30 maart 2010, LJN BK4173.
BR 8 december 1981, NJ 1982/533. Zie ook BR 11 maart 2008, NJ 2008/329 met betrekking tot een AIVD-ambtsbericht.
BR 14 januari 1975, NJ 1975/207 (Ruimte).
BR 2 februari 1988/820 (Stormsteeg).
Van Sliedregt, 'Het verdenkingsbegrip', in: Jurisprudentie Strafrecht Select (2006), p. 10.
BR 14 februari 2006, LJN AU8064, par. 3.7.2.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 89-90. Het gaat hier om BR 16 april 1985, NJ 1985/806.
Volgens Corstens zou dit dilemma kunnen worden opgelost door met twee verschillende begrippen verdachte te werken. Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 288.
In EHRM 8 april 2004, no. 38544/97 (Weh) werd aangenomen dat ten tijde van de vraagstelling nog geen sprake was van een charge, maar in EHRM 29 juni 2007, AB 2008/234 (O'Halloran and Francis) werd de vordering de identiteit van de bestuurder te onthullen wel reeds als een criminal charge aangemerkt, zij het dat het ontbreken van een zwijgrecht ter zake van snelheidsovertredingen toelaatbaar werd geacht. Waar het gaat om gegevens die zonder de wil van betrokkene niet bestaan (of nimmer aan het licht kunnen komen) geldt in beginsel het criterium dat deze in de bestuurlijke fase onder dwang verkregen informatie niet mag worden gebruikt in een strafzaak. Zie onder meer EHRM 17 december 1996, J73 1997/80 (Saunders).
Bijzondere opsporingsambtenaren zijn veelal tevens toezichthouder, zodat zij ook gebruik kunnen maken van de art. 5:11-5:20 Awb.
Zie Mulder en Doorenbos, Schets van het economisch strafrecht (2008), p. 104-105 en BR 9 maart 1993, NJ 1993/633.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 95.
Zie daarover ook Groenhuijsen en Kooijmans, 'Probleemoplossing door voortschrijdende wetgeving in het strafrecht?', DD 2010/25, p. 429-431.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 91.
De wetgever sprak destijds van gematigd accusatoir (Kamerstukken // 1913/14, 286, nr. 3, p. 55). Ikzelf prefereer de term gematigd inquisitoir. De boventoon is namelijk dat de partijen in het strafrecht niet gelijk zijn en de strafrechter binnen de begrenzing van de tenlastelegging zoekt naar de materiële waarheid. Dat het verdedigingsbeginsel een belangrijke rol speelt doet daar onvoldoende aan af (daarop ziet dan immers het predikaat gematigd). Met de term gematigd accusatoir wordt mijns inziens teveel de nadruk gelegd op de gelijkwaardigheid van partijen. Weliswaar past dat uitgangspunt wel bij het onderzoek ter zitting, maar daar is het meer inquisitoire voorbereidend onderzoek aan voorafgegaan waarin de verdachte toch vooral voorwerp van onderzoek is. Zie over de oorsprong van de termen accusatoir en inquisitoir Stevens, Het nemo-teneturbeginsel in strafzaken: van zwijgrecht naar containerbegrip (2005), hoofdstuk 3.
Onder processtukken moeten worden begrepen alle stukken die zich in het strafdossier bevinden (waaronder processen-verbaal van de verhoren en van de bevindingen, ander schriftelijk bewijsmateriaal en het persoonsdossier van de verdachte), alsmede die stukken die in het dossier zou moeten zitten omdat die mogelijk voor de verdachte relevante belastende of ontlastende informatie bevatten. Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 91-92 en 248 en zijn verwijzing naar I-112 7 mei 1996, NJ 1996/687.
Een dergelijk belang doet zich voor indien een getuigenverklaring aanleiding geeft tot het horen van andere getuigen en te vrezen is dat de verdachte bij kennisneming daarvan de getuigen zal pogen te beïnvloeden. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 92.
De met deze bepaling beoogde filterwerking wordt onvoldoende bereikt. Zie Corstens, 'De toekomst van de Casatie' en Van Dorst en De Hullu, 'Warme gevoelens en irritaties in casatie', beide in Strafblad 2007/1, p. 31-46. Uit deze bijdragen komt uitdrukkelijk naar voren dat het veelal droevig is gesteld met de kwaliteit van de cassatieschrifturen die advocaten indienen, terwijl er ook zeer vaak in volstrekt kansloze zaken cassatie wordt ingesteld. Het wetsvoorstel versterking cassatierechtspraak (zie Kamerstukken // 2010-2011, 32 576, nr. 2 en 3) lijkt hier een kans te laten liggen omdat het uitsluitend voor de civiele advocatuur voorziet in inschrijvings- en kwaliteitseisen. Wel voorziet het wetsvoorstel in een verruiming van de vereenvoudigde afdoeningsmogelijkheden (art. 80a Wet RO).
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 95-97.
Dit verschoningsrecht is beperkt tot hetgeen aan de advocaat uit hoofde van zijn beroep 'als zoodanig is toevertrouwd'. Zie daarover HR 12 oktober 2010, IJN BN0526 (Holleeder). Verder rust op de advocaat een meldplicht van ongebruikelijke transacties (art. 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme), met dien verstande dat op hem ingevolge art. 1 lid 2 Wwft een beperkte vrijstelling van toepassing is. Die vrijstelling is beperkt tot de juridische- en fiscale advisering en procesvoering. Het Hof van Justitie achtte een dergelijke beperkte vrijstelling niet in strijd met art. 6 EVRM (HvJ EG 26 juni 2007, AB 2007/369). Zie verder Stijnen, `Compliance en de poortwachterfunctie van trustkantoren' in: Compliance in het financieel toezichtrecht (2008), p. 162- 166.
Zie ook De Winter, 'Raadsheren en raadslieden: bondgenoten. Warme gevoelens en irritaties over raadslieden in hoger beroep', Strafblad 2007/1, p. 13-18.
In dit verband moet 'recht' niet worden verward met `volkswif . Goed voor ogen moet worden gehouden dat rechtsstaat en democratie geen inwisselbare begrippen zijn. Zo is het mijns inziens gevaarlijk te spreken van democratische legitimatie van rechtspraak op zaaksniveau: Rousseau zag reeds scherp dat het geheel zich slechts over het geheel kan buigen en niet over één bijzonder geval. Zie Rousseau Het maatschappelijk verdrag of Beginselen der staatsinrichting (vertaling, 1988), onder meer p. 26.
Gelet op de wetsgeschiedenis moet worden gedacht aan toezicht met het oog op het tegengaan van ontvluchten, de veiligheid van de raadsman en het tegengaan van misbruik van schriftelijk verkeer. Zo kan de advocaat worden verplicht via een detectiepoort te lopen bij de ingang van de inrichting (Hof Den Haag 31 oktober 1985, NJ 1987/494) en kan er visueel, maar niet auditief toezicht op gesprekken plaatshebben (HR 21 april 1995, NJ 1996/39). De huishoudelijke reglementen zullen beletten dat de advocaat de verdachte 's-nachts opzoekt en het vrij verkeer kan redelijkerwijs in de tijd worden beperkt als de politie de verdachte bijvoorbeeld voor het einde van de verzekeringstermijn nog zelf wil horen. Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 102.
Denk bij de eerste grond voor ontzegging van vrij verkeer aan de omstandigheid dat de advocaat bij een getuigenverhoor (of verhoor van een andere verdachte die hij bijstaat) aanwezig is geweest en de verdachte in het belang van het onderzoek nog niet op de hoogte mag raken van de inhoud daarvan en bij de tweede grond aan de omstandigheid dat de raadsman in de lopende zaak een getuige heeft bewerkt. Het moet bij misbruik wel gaan om het handelen van de advocaat in deze zaak, want het bevel dient niet te worden ingezet als een verkapt beroepsverbod voor de betrokken advocaat, daarvoor is immers het tuchtrecht. Zie wederom Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 102.
Dit behoeft enige nuancering. Het zwijgrecht en de cautie zijn weliswaar in 1926 ingevoerd met art. 29 Sv, maar eind jaren dertig van de twintigste eeuw wordt de cautie geschrapt. Eerst in 1974 wordt die weer opgenomen in art. 29 lid 2 Sv. Zie daarover Stevens, Het nemo-teneturbeginsel in strafzaken: van zwijgrecht naar containerbegrip (2005), hoofdstuk 4.
Onder meer HR 18 september 1989, NJ 1990/531.
Zie ook Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 289.
Zie EHRM 25 september 2003, no. 52792/99 (Vasileva) en in die uitspraak vermelde jurisprudentie.
HR 2 oktober 1979, NJ 1980/243.
EHRM 27 november 2008, no. 36391/02 (Salduz) en 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits). Deze arresten zijn besproken in hoofdstuk 2. Voor het wijzen van die uitspraken waren al experimenten opgestart in de politieregio's Amsterdam-Amstelland en Rotterdam-Rijnmond. Haaglanden fungeert als controleregio. Per 1 juli 2008 zijn advocaten in de eerstgenoemde twee regio's in de gelegenheid gesteld om aanwezig te zijn in de verhoorkamer. Op 15 februari 2010 heeft het college van procureurs-generaal per 1 april 2010 de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (Sten. 2010, 4003) gegeven. Voor de zwaarste delicten geldt dat de verdachte na aanhouding op het politiebureau de gelegenheid krijgt 30 minuten vertrouwelijk met de raadsman te spreken, van welk recht op consultatiebijstand volgens de aanwijzing geen afstand kan worden gedaan. Bij minder ernstige delicten zou dit wel kunnen. Bij misdrijven waarbij voorlopige hechtenis niet is toegelaten alsmede bij overtredingen wordt de verdachte geïnformeerd dat de kosten van consultatie voor eigen rekening komen. Voor minderjarige verdachten geldt bovendien dat zij een raadsman of vertrouwenspersoon bij het verhoor aanwezig mogen laten zijn. Indien niet binnen twee uur na melding aan de piketcentrale een raadsman verschijnt dan beslist de officier van justitie omtrent de aanvang van het politieverhoor, zo volgt verder uit de aanwijzing.
HR 30 juni 2009, LJN BH3079, LJN BH3081 en LJN BH3084.
EHRM 14 oktober 2010, no. 1466/07 (Brusco), par. 45: 'La Cour rappelle également que la personne placée en garde á vue a le droit d'être assistée d'un avocat dès le début de cette mesure ainsi que pendant les interrogatoires (...)'. In de literatuur en de nationale rechtspraak wordt echter betwijfelt of uit Brusco een echt aanwezigheidsrecht van de advocaat tijdens het politieverhoor kan worden afgeleid. Zie daarover Reijntjes, 'De implementatie van Straatsburgse uitspraken in de Nederlandse rechtsorde', Strafblad 2011/1, p. 30-32.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 440.
Indien de niet-ontvankelijkheid van het OM herstelbaar is stelt de rechtbank de verdachte niet buiten vervolging, maar verklaart zij het bezwaar niet-ontvankelijk, zodat eventueel een nieuwe termijn kan worden gesteld als bedoeld in art. 255 lid 4 Sv. Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 542 en 544.
Bij niet-ontvankelijkheid kan men verder denken aan een te laat ingediend bezwaar of een bezwaar dit is gericht tegen de dagvaarding, terwijl daar een kennisgeving van verdere vervolging aan vooraf is gegaan.
Het gaat hier om een behandeling door de raadkamer (art. 21 lid 1 en 22 Sv).
HR 11 april 2006, LJN AV 4112.
HR 6 juli 2010, NJB 2010/1551 (Probo Koala).
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 540-541.
Ingevolge art. 27 lid 1 Sv wordt als verdachte vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. Om als verdachte aangemerkt te kunnen worden voorafgaande aan de vervolging zijn er dus drie eisen. De eerste eis is dat een strafbaar feit is gepleegd, althans een redelijke vermoeden dat een strafbaar feit is gepleegd. Er moet ten tweede sprake zijn van een redelijk vermoeden wie het strafbare feit heeft gepleegd, dat is de verdachte. De opsporingsambtenaar komt hier gelet op de term redelijk vermoeden beoordelingsruimte toe.1 Dit redelijk vermoeden wordt wel geobjectiveerd. De rechter zal moeten nagaan of gemeten naar hetgeen toen bekend was de opsporingsambtenaar tot de conclusie kon komen dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld (in enge zin).2 Ten slotte moet die verdenking zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden. Het kan bijvoorbeeld gaan om verklaringen van getuigen, de ervaring van opsporingsambtenaren of om feiten van algemene bekendheid. De intuïtie van de opsporingsambtenaar is niet toereikend om een verdenking op te baseren. Er moet sprake zijn van een bijkomende controleerbare factor.3 Aan dit laatste kan overigens snel zijn voldaan. Zo wordt in de rechtspraak geaccepteerd dat verbalisanten eenvoudigweg stellen dat zij ambtshalve bekend zijn met bepaalde feiten of omstandigheden:
`De verbalisanten zagen een auto rijden die hun ambtshalve bekend was als een auto die in het bezit was van een hun bekende drugsgebruiker en die meestal gebruikt werd door twee andere drugsgebruikers die hen tevens bekend waren. Deze auto zagen ze weg rijden vanaf een sociëteit voor alcohol- en drugsverslaafden, waarvan algemeen bekend is dat deze regelmatig door drugsverslaafden werd bezocht. Deze feiten leveren bij elkaar voldoende grond op om tot staandehouding over te gaan.'4
Ook kunnen anonieme tips leiden tot verdenking. Het moet dan wel gaan om concrete informatie. Zo was de informatie dat in het genoemde perceel een man met een dikke buik genaamd Roel in het bezit zou zijn van 15 kilo amfetamine concreet genoeg,5 alsook door het gerechtshof betrouwbaar geachte anonieme CIE-informatie dat de verdachte in het bezit was van vuurwapens die hij in zijn woning en de daarbij behorende schuren verborgen had,6 maar was de enkele melding dat betrokkene mogelijk verdovende middelen zou vervoeren of aanwezig zou hebben onvoldoende concreet om een verdenking op te baseren.7 Verder kan sprake zijn van een collectieve verdenking, zoals in het Ruimte-arrest8 werd aangenomen. In die zaak was bij de politie bekend dat op grote schaal drugs werden gebruikt in een jongerencentrum, hetgeen ook vlak voor de politie-inval ter plaatse was geconstateerd door een aantal politieambtenaren. De bezoekers van dat jongerencentrum konden derhalve als verdachte worden aangemerkt. In het Stormsteeg-arrest9 accepteerde de Hoge Raad het oordeel van het hof Amsterdam dat van algemene bekendheid was dat in de omgeving van de Zeedijk drugs plegen te worden verhandeld en gebruikt en dat tegen de betrokkene — die in die omgeving met zijn rechterhand stevig in zijn jaszak liep, schrok bij het zien van de verbalisanten en sneller ging lopen — ernstige bezwaren als bedoeld in art. 9 Opiumwet bestonden. Van belang is hier mogelijk dat in art. 9 lid 2 Opiumwet geen feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 27 lid 1 Sv worden gesteld inzake het verdenkingsbegrip. Ingevolge art. 9 lid 2 Opiumwet zijn opsporingsambtenaren bevoegd een persoon, verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken. Niettemin brengt ook hier de term redelijkerwijze in art. 9 lid 1 Opiumwet met zich dat hier wel sprake blijft van een objectieve toets.10
Zojuist kwam de term ernstige bezwaren langs. Die term komt onder meer voor in bepalingen die zien op de bevoegdheid tot het fouilleren van een verdachte (zie art. 56 Sv en art. 9 lid 2 Opiumwet, terwijl het bestaan van ernstige bezwaren voorts een bijkomende voorwaarde is voor het kunnen geven van een bevel tot voorlopige hechtenis (art. 67 lid 3 Sv). Dit is een zwaarder criterium dan de enkele verdenking. Zo overwoog de Hoge Raad ter zake van het abusievelijk hanteren van het criterium ernstige bezwaren zoals dat voorkwam in art. 52 (oud) Wet wapens en Munitie: 'Uit de hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen volgt dat het Hof, door te overwegen dat ten aanzien van de verdachte sprake was van "ernstige bezwaren", nog de maatstaf heeft toegepast van art. 52 (oud) WWM. Hoewel het Hof heeft kunnen oordelen dat van ernstige bezwaren sprake was, had het zich de vraag dienen te stellen of er "redelijkerwijs aanleiding" bestond de verdachte aan zijn kleding te onderzoeken. In 's Hofs oordeel ligt besloten dat het onderzoek aan de kleding van de verdachte ook toetsing aan de lichtere maatstaf heeft doorstaan. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.11 Art. 8 lid 3 Politiewet 1993 kent overigens een afwijkende grond voor de zogenoemde veiligheidsfouillering, namelijk dat uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor het leven of de veiligheid van de betrokken persoon, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.
Omdat tegen een verdachte enerzijds dwangmiddelen kunnen worden toegepast en anderzijds de verdachte verdedigingsrechten toekomen, is het van belang dat iemand — met het oog op het niet te vroegtijdig inzetten van dwangmiddelen — niet te snel als verdachte wordt aangemerkt, maar — met het oog op het daadwerkelijk kunnen effectueren van verdedigingsrechten — ook weer niet te laat. Corstens stelt dat dit per saldo noopt tot een niet-extensieve uitleg van het begrip verdachte. Hij illustreert dit met de casus dat politieambtenaren, nadat een getuige een kenteken had genoteerd in verband met het doorrijden van een automobilist na een botsing met een lantarenpaal zonder zijn identiteit bekend te maken, zich begaven naar het adres dat in het ken-tekenregister was genoteerd en aldaar de gehavende auto aantroffen, aanbelden en aan degene die opendeed vroegen of hij de bestuurder was. De agenten hoefden volgens de strafrechter niet tevoren een cautie te geven (art. 29 lid 2 Sv), omdat er toen nog geen vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond.12 Als in deze situatie wel een cautie zou moeten worden gegeven dan zou dit voorts met zich brengen dat de politieambtenaren degene die deur opendeed al dadelijk zou mogen aanhouden (art. 53 Sv). Dit laatste moet met Corstens onaanvaardbaar worden geacht indien er geen enkele nadere aanwijzing is dat diegene de bestuurder was geweest.13 In het tweede hoofdstuk zagen we overigens wel dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het toelaatbaar acht dat nationale wetgeving er in voorziet dat ter zake van verkeersovertredingen een met een bestuurlijke sanctie bedreigde informatieplicht voor de kentekenhouder in het leven wordt geroepen, opdat de politie in staat wordt gesteld te achterhalen wie de overtreding heeft gepleegd.14
De art. 18-24a WED voorzien in bevoegdheden voor opsporingsambtenaren en daarmee corresponderende medewerkingsverplichtingen voor eenieder, welke grote gelijkenis vertonen met de toezichtsbevoegdheden die in de art. 5:11-5:20 Awb zijn neergelegd. Het betreft onder meer inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen, imagevordering in gegevens en bescheiden en het onderzoeken van vervoermiddelen. Het gaat bij deze WED-bevoegdheden echter niet zuiver om toezicht,15 maar ook niet om bevoegdheden die pas ontstaan nadat sprake is van een verdenking. Deze bevoegdheden zijn steeds aan de orde 'in het belang van de opsporing'. Gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie gaat het niet om een concrete verdenking, maar is voldoende dat de opsporingsambtenaar over een aanwijzing beschikt dat ten aanzien van het betrokken goed of het betrokken voertuig de wetgeving mogelijk niet is nageleefd.16
De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden voorziet er in dat een aantal dwangmiddelen kunnen worden aangewend tegen personen die nog geen verdachte zijn. Zo kunnen onder meer stelselmatige observatie, infiltratie, opname van vertrouwelijke communicatie van telecommunicatie worden ingezet, ook als nog geen strafbaar feit is gepleegd, maar enkel sprake is van beraming van een strafbaar feit. Waar met betrekking tot het beramen of plegen van deze misdrijven nog wel het objectiveerbare criterium geldt dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit (zie bijvoorbeeld art. 126o lid 1 Sv), geldt dit niet voor de persoon op wie de dwangmiddelen worden toegepast. Met betrekking tot sommige van deze dwangmiddelen is wel in die bijkomende eis voorzien. Zo is bijvoorbeeld in art. 126q lid 1, onderdeel a, Sv bepaald dat in een geval als bedoeld in art. 126o lid 1 Sv de officier van justitie in het belang van het onderzoek kan bevelen dat een opsporingsambtenaar goederen afneemt van een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven. In dit verband wordt respectievelijk wel gesproken van vroegsporing en vroegverdachten.17 Hoewel het op zich goed is dat een wettelijk kader is geschapen voor opsporingsactiviteiten die voordien reeds veelal buiten het Wetboek van strafvordering om plaatshadden, heeft de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden een lappendeken opgeleverd aan opsporingsbevoegdheden en daarmee samenhangende dwangmiddelen die allerminst fraai en overzichtelijk is.18 De voorwaarden voor het kunnen inzetten van dwangmiddelen worden nog verder naar voren gehaald indien er aanwijzingen zijn van een terroristisch misdrijf (zie bijvoorbeeld art. 126zd Sv).
Indien de vervolging tegen een persoon eenmaal is aangevangen dan wordt die persoon verder aangeduid als verdachte. Dat art. 27 lid 2 Sv uitsluitend dit formele criterium bevat, brengt echter niet met zich dat indien tijdens de vervolging de materiële verdenking komt te vervallen het OM de vrijheid houdt om toch de vervolging voort te zetten. Want hoewel er uiteindelijk wel rechterlijke controle is, is de daaraan voorafgaande procedure, die dan toch niet tot een strafrechtelijke sanctie kan leiden, in dat geval onnodig bezwarend voor de betrokkene.19
Uitgangspunt in ons gematigd inquisitoire20 strafproces is dat de verdachte kennis kan nemen van de processtukken.21 Tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet,22 zal het OM tijdens het voorbereidende onderzoek en de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek toe moeten staan dat de verdachte kennis neemt van de processtukken als hij daarom verzoekt (art. 30 Sv). In elk geval wordt de verdachte niet de kennisneming onthouden van processen-verbaal van zijn verhoren, van processen-verbaal waarvan de inhoud hem reeds volledig is meegedeeld en — in beginsel — van processen-verbaal van verhoren of handelingen van onderzoek waarbij de verdediging aanwezig was of kon zijn (art. 31 Sv). Indien de verdachte stukken worden onthouden dan wordt hem meegedeeld en kan hij binnen veertien dagen en daarna telkens met perioden van negentig dagen een bezwaarschrift indienen bij het gerecht. Zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of geëindigd danwel wordt overgegaan tot verdere vervolging zonder dat een gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgehad mogen de verdachte niet langer processtukken worden onthouden (art. 33 Sv). Hoewel op het openbaar ministerie de bewijslast rust, heeft de verdachte in veel gevallen een belang bij een eigen actieve rol in de feitenvergaring. Zo kan hij er belang bij hebben dat tegenover een belastende verklaring een ontlastende verklaring komt te staan en zal hij wellicht een onderbouwd verweer willen voeren dat zich rechtvaardigingsgronden of schulduitsluitingsgronden voordoen. De verdachte mag dan ook bij het OM en de rechtbank opgeven welke getuigen en deskundigen volgens hem moeten worden opgeroepen (zie onder meer art. 263 Sv). Verderop komt de oproeping van getuigen meer uitgebreid aan de orde.
De verdachte kan zich tijdens verhoren in de voorfase en ter zitting laten bijstaan door een tolk. Zo is in art. 191 Sv bepaalt dat de rechter-commissaris tijdens het gerechtelijke vooronderzoek een tolk kan benoemen indien een verdachte, getuige of deskundige de Nederlandse taal niet verstaat danwel doof is en voorts niet kan lezen of schrijven. Terwijl uit art. 276 lid 1 Sv volgt dat de rechtbank de oproeping van een tolk beveelt indien op de terechtzitting blijkt dat de bijstand van een tolk nodig is. Bij niet verschijning kan de rechtbank een bevel tot medebrenging geven. Uit het vierde lid van dat artikel volgt dat de verdachte de tolk kan wraken, op welk verzoek de rechtbank terstond uitspraak doet. Met het oog op waarborging van kwaliteit wordt vanaf 1 januari 2009 een register van tolken en vertalers bijgehouden. Tolken en vertalers dienen aan de nodige kwaliteitseisen te voldoen en zij worden beëdigd (art. 3-6 en 12-14 Wet beëdigde tolken en vertalers). Ingevolge art. 28 Wet beëdigde tolken en vertalers maken de Afdeling bestuursrechtspraak, de gerechten, het OM, IND, de politie en de Koninklijke Marechaussee in het kader van het strafrecht en het vreemdelingenrecht behoudens spoedeisende gevallen uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers.
Titel III van Sv is genaamd 'De raadsman'. Als raadslieden worden toegelaten in Nederland ingeschreven advocaten en kort gezegd advocaten uit Europa die samenwerken met een Nederlandse advocaat (art. 37 Sv). Onderscheid moet worden gemaakt tussen gekozen en toegevoegde raadslieden. Indien de verdachte zelf een raadsman kiest wordt die niet door de staat betaald. Indien een advocaat wordt toegevoegd wel, zij het dat een eigen bijdrage door de Raad voor rechtsbijstand kan worden verlangd (art. 44 Wet op de rechtsbijstand). De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen, met dien verstande dat wettige vertegenwoordigers en, ingeval van wilsgebreken, de partner of familie daartoe bevoegd zijn totdat de verdachte zelf een nieuwe raadman heeft gekozen (art. 38 Sv). De verdachte is niet verplicht zich bij te laten staan door een advocaat. Een uitzondering hierop vormt het instellen van cassatie. Slechts een advocaat is op straffe van niet-ontvankelijkheid bevoegd namens de verdachte bij de Hoge Raad een schriftuur houdende cassatiemiddelen in te dienen (art. 437 lid 2 Sv).23
Een piketadvocaat wordt door het bureau rechtsbijstandvoorziening toegevoegd aan de verdachte ingeval van inverzekeringstelling (art. 40 Sv). Voorts wordt de verdachte wiens bewaring of gevangenneming is bevolen een raadsman toegevoegd indien hij die nog niet heeft (art. 41 Sv) en kan op verzoek van de verdachte een raadsman worden toegevoegd indien hij anderszins van zijn vrijheid is beroofd en een vervolging tegen hem is aangevangen (art. 42 Sv). Een toevoeging geschiedt, met uitzondering van de toevoeging bij inverzekeringstelling, voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad (art. 43 lid 1 Sv). De toevoeging is in elke aanleg kosteloos indien de verdachte krachtens een bevel tot voorlopige hechtenis is gedetineerd (art. 43 lid 2 Sv). Een toegevoegde advocaat kan worden vervangen bij ontsteltenis en op zijn verzoek of op verzoek van de verdachte (art. 45 Sv). Voorts wordt door de voorzitter van de rechtbank onverwijld een nieuwe raadsman toegevoegd indien door het OM of de rechter-comissaris de raadsman de toegang tot de verdachte is onzegd, die optreedt voor de duur van de beperking van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte (art. 50a Sv).
De advocaat vervult in zijn rol van raadsman van de verdachte een drietal functies.24 Hij treedt ten eerste op als rechtsgeleerd adviseur. In die hoedanigheid zal hij de verdachte op zijn procedurele rechten wijzen. Ten tweede is hij de vertrouwensman van de verdachte. De verdachte moet in vertrouwen met hem kunnen overleggen. De raadsman is in dit verband verplicht tot geheimhouding en heeft een verschoningsrecht (art. 218 Sv).25 Ten slotte is hij partijdig woordvoerder voor zijn cliënt. Zijn taak is, anders dan die van de politie en het OM, dus niet waarheidsvinding, maar slechts het zo goed mogelijk verdedigen van zijn cliënt. Deze eenzijdige focus van de advocaat op de verdediging van de verdachte maakt overigens niet dat de advocaat geen publieke taak zou vervullen.26 De samenleving is immers gebaat bij een goed functionerend strafrechtsysteem, in welk verband een goede verdediging in strafzaken onontbeerlijk is. Bij een gebrek daaraan zou immers het evenwicht tussen instrumentaliteit en rechtsbescherming in de strafrechtspleging volledig worden verstoord.27
Om de verdachte goed te kunnen bijstaan moet de advocaat uiteraard vrij met zijn cliënt kunnen communiceren, ook als de cliënt van zijn vrijheid is beroofd. Art. 50 lid 1 Sv voorziet erin dat de advocaat met zijn gedetineerde cliënt in afzondering kan spreken en met hem brieven kan wisselen zonder dat anderen die lezen. Die vrijheid van communicatie is niet onbegrensd. De communicatie is ten eerste onderworpen aan het vereiste toezicht. Ten tweede moeten de huishoudelijke reglementen in acht worden genomen. En ten slotte mag het onderzoek niet door het vrije verkeer worden opgehouden.28Art. 50 lid 2 Sv voorziet in de mogelijkheid dat tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris of tijdens het voorbereidend onderzoek de officier telkens voor maximaal zes dagen beveelt dat de raadsman geen toegang heeft tot de verdachte of hem niet alleen kan spreken en dat brieven tussen hen niet worden uitgereikt, indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer zal strekken om tot het bekendmaken van de verdachte met enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, of wordt misbruikt voor pogingen om de opsporing van de waarheid te belemmeren.29 Er heeft wel steeds controle door de raadkamer van de rechtbank plaats, die de betrokken raadsman hoort inzake het bevel (art. 50 lid 3 Sv), en de bevolen beperkingen komen hoe dan ook ten einde zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of geëindigd, of, ingeval een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de kennisgeving van verdere vervolging of de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte is betekend (art. 50 lid 4 Sv).
In het kader van art. 6 EVRM is in hoofdstuk 2 uitgebreid het nemo tenetur-beginsel en het zwijgrecht van de verdachte, zoals dat is vormgegeven door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, aan bod gekomen. In art. 29 Sv is vanouds30 het zwijgrecht en de cautie gecodificeerd:
`1. In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord, onthoudt de verhoorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft eene verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd. De verdachte is niet tot antwoorden verplicht.
2. Voor het verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
3. De verklaringen van den verdachte, bepaaldelijk die welke eene bekentenis van schuld inhouden, worden in het proces-verbaal van het verhoor zooveel mogelijk in zijne eigen woorden opgenomen. De mededeling bedoeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal opgenomen.'
Het vragen naar de personalia van de verdachte wordt niet als verhoor aangemerkt.31 Voor die uitzondering is ook reden: art. 52 Sv bepaalt immers dat iedere opsporingsambtenaar bevoegd is de verdachte naar zijn naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, adres waarop hij als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven en woon- of verblijfplaats te vragen en hem daartoe staande te houden. De staandehouding kan aldus worden gezien als een aparte naast het verhoor staande handeling.32 Ook het EHRM bleek geen bezwaar te hebben tegen een spreekplicht waar het gaat om het desgevraagd opgeven van de personalia. Dit kan zowel een gewone controle betreffen als de situatie dat de betrokkene verdachte iS.33
Hoewel ook buiten het politiebureau vragen kunnen worden gesteld aan een verdachte, zodat ook dan reeds sprake is van een verhoorsituatie en een cautieplicht,34 zal het verhoor gewoonlijk plaats hebben op een daarvoor bestemde plaats. De inverzekeringstelling (art. 57 Sv) van de verdachte zal veelal plaats hebben om hem te kunnen verhoren. Uit de eerste twee leden van art. 67 Sv kan worden afgeleid dat de verdachte zich bij het verhoor dat voorafgaat aan de beslissing tot inverzekeringstelling kan laten bijstaan door een raadsman. Kan hier uit worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op rechtsbijstand gedurende de politieverhoren? Hoewel uit de wettekst een bevestigend antwoord lijkt te volgen is het antwoord vanouds in de praktijk ontkennend. Die praktijk is echter in beweging, mede, maar niet alleen onder invloed van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.35 De Hoge Raad overwoog in drie zaken van minderjarige verdachten:
`2.5. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor. Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken.
2.6. Het voorgaande ziet zowel op aangehouden strafrechtelijk volwassenen als op aangehouden strafrechtelijk jeugdigen. Opmerking verdient dat voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie.'36
Uit de zaak Brusco kan wellicht worden afgeleid dat ook aan volwassenen niet alleen voorafgaand, maar ook tijdens de politieverhoren juridische bijstand moet worden geboden.37 Buiten de inverzekeringstelling kan de verdachte overigens niet vast worden gehouden zuiver als middel om hem te kunnen verhoren.38 Indien zich gronden voor voorlopige hechtenis voordoen kan de in hechtenis genomen verdachte uiteraard wel worden verhoord.
Waar in de vorige paragraaf bleek dat belanghebbenden via een klachtprocedure bij het gerechtshof kunnen opkomen tegen een beslissing van het openbaar ministerie om niet te vervolgen, kan de verdachte juist binnen acht dagen een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de rechtbank tegen de kennisgeving van de verdere vervolging (art. 250 lid 1 Sv), danwel tegen de dagvaarding zelf indien die niet is voorafgegaan door een kennisgeving van verdere vervolging (art. 262 Sv). Alvorens op het bezwaar te beslissen kan de rechtbank de zaak laten onderzoeken door een rechter-commissaris, welk onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek (art. 250 lid 2 Sv). In de art. 250 leden 3 t/m 5 Sv is bepaald welk dictum de beschikking van de rechtbank zal moeten bevatten. De rechtbank verklaart zich onbevoegd indien zij niet bevoegd is tot de kennisneming van het feit. Zij stelt de verdachte ten aanzien van de gehele of een gedeelte van de tenlastelegging buiten vervolging indien: de officier van justitie niet-ontvankelijk iS;39 het feit niet strafbaar is; verdachte niet strafbaar is; of onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig is. In alle andere gevallen verklaart de rechtbank hetzij de verdachte niet-ontvankelijk40 hetzij het bezwaarschrift ongegrond, zo nodig onder aanduiding van de wijzigingen die in de tenlastelegging moeten worden aangebracht.
De grond voor het openstellen van dit rechtsmiddel voor de verdachte is dat hij kan voorkomen dat hij op ontoereikende gronden in het openbaar terecht moet staan. Daartoe dient de vervolging achter gesloten deuren41 op haalbaarheid te worden getoetst. Inzet is dus slechts of er voldoende rechtvaardiging is om de verdachte in het openbaar terecht te laten staan. Het gaat derhalve om een summiere beoordeling door de raadkamer van feitelijke en juridische verweren.42 Daarbij geldt ook geen dwingende volgorde in de beoordeling van de bezwaren.43 Het is immers niet de bedoeling dat de rechtbank hier een voorschot neemt op de beslissing die zij in een normale einduitspraak, gewezen na een openbare terechtzitting, zal dienen te nemen.44
Tegen een onbevoegdverklaring of een buitenvervolgingstelling staat voor het OM binnen veertien dagen beroep bij het gerechtshof en daarna cassatie open, terwijl de verdachte binnen veertien dagen in cassatie kan gaan tegen de beschikking van het gerechtshof (art. 252 Sv). Tegen een kennisgeving van verdere vervolging dat is gedaan na een bevel van het gerechtshof tot vervolging als bedoeld in art. 12i Sv staat geen bezwaar open, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden (art. 250a Sv). Mocht de rechtbank de verdachte ten aanzien van de gehele of een gedeelte van de tenlastelegging wegens nova buiten vervolging stellen dan stuurt de griffier de beschikking en de stukken binnen drie dagen naar het gerechtshof, dat de beschikking van de rechtbank bevestigt danwel doet hetgeen de rechtbank had behoren te doen onder vernietiging van haar beschikking. De verdachte kan vervolgens in cassatie gaan tegen de beslissing van het gerechtshof (art. 250a lid 5 en art. 252 lid 2 Sv), maar het OM niet (art. 250a leden 2 en 3 Sv).