Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.3.2.4:8.3.2.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.3.2.4
8.3.2.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609044:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar mijn mening zou voor de relaties tussen natuurlijke personen in art. 8 lid 7 (voorstel) Wet OB 1968 evengoed kunnen worden aangesloten bij het begrip ‘verbonden persoon’ in de zin van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001. In hoofdstuk 6 heb ik de contouren van dit begrip als volgt geschetst:
Er geldt een sociaal-maatschappelijke benadering, waarbij de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’ als ‘verbonden persoon’ worden beschouwd.
Voor ongehuwde samenwoners geldt in dit verband een weerlegbaar vermoeden van ‘verbondenheid’.
Voorts wordt een minderjarig ‘kind’ van de betrokken persoon of van zijn ‘levensgezel’ tot de kring van verbonden personen gerekend. In situaties waarin een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke transactie wordt gepleegd met een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of een dergelijk familielid van zijn ‘levensgezel’, wordt deze eveneens als ‘verbonden persoon’ aangemerkt.
Indien de betrokken persoon minderjarig is, wordt ook een bloed- of aanverwant in de opgaande lijn, en diens echtgenoot, geregistreerde partner of ‘levensgezel’ als een ‘verbonden persoon’ beschouwd.
In afwijking van art. 1:3 lid 3 BW worden de duurzaam gescheiden levende echtgenoot en de ex-schoonfamilie voor de toepassing van de Wet IB 2001 niet tot de kring van verbonden personen gerekend.
Voor de verbondenheid tussen lichamen en tussen een lichaam en een natuurlijk persoon zou kunnen worden verwezen naar de begrippen ‘verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 4 en 5 Wet VPB 1969. Ten opzichte van de verbondenheidsbegrippen in de inkomsten- en vennootschapsbelasting zou dan een uniform geheel ontstaan. Bovendien zou er dan ten minste enige duidelijkheid bestaan over de reikwijdte van de geobjectiveerde heffingsmaatstaf. Er zou echter nog steeds een open norm worden gehanteerd, waardoor geen afbreuk zou worden gedaan aan de antiontgaansfunctie van het verbondenheidsbegrip. Al met al zouden de contouren als volgt kunnen luiden:
Er geldt een materieel-economische benadering, waarbij met name belang wordt gehecht aan feitelijke organisatorische en economische verbondenheid. Dat wil zeggen, dat overheersende zeggenschap en een beleidsbepalende invloed wordt uitgeoefend op een lichaam. Niet alleen een aandelenbelang vormt een ‘belang’, maar ook andere rechten, zoals zeggenschapsrechten en schuldeisersbelangen, en deelname aan de leiding.
Ten aanzien van een aandelenvennootschap wordt een ‘belang’ aanwezig geacht bij het bezit van 33'/3% van de aandelen in het geplaatste kapitaal en de daaraan verbonden stemrechten.
Hierbij gaat het om het daadwerkelijke ‘belang’ zoals is toegelicht met betrekking tot art. 4 lid 3 WBR, dat wil zeggen, dat een aandelenbezit dat economisch kan worden gelijkgesteld met een geldlening, zoals preferente aandelen of aandelen zonder stemrecht, geen ‘belang’ vormt. Een aandelenbezit van minder dan 33'/3% kan echter toch een ‘belang’ zijn, indien aan deze aandelen ten minste een derde gedeelte van de zeggenschap is verbonden.
Voorts gaat het om het ‘uiteindelijke belang’, ofwel het belang dat op proportionele basis wordt gehouden door een natuurlijk persoon of lichaam.
De belangen gehouden door de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’, kinderen en kinderen van de levensgezel worden meegeteld bij de beoordeling van het verbondenheidsvermoeden.
Certificaten van aandeel en aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust en waarbij het stemrecht nog steeds toekomt aan de aandeelhouder, tellen mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden. In dit verband tellen ook aandelen mee waaraan financiële instrumenten zijn gekoppeld die potentiële stemrechten bevatten, zoals optierechten en converteerbare instrumenten.
De hiervoor genoemde alternatieve bezitsvormen van aandelen, zoals een pandrecht, recht van vruchtgebruik en optierechten, kunnen zelf ook een ‘belang’ vormen en tellen als zodanig eveneens mee bij de beoordeling of is voldaan aan het verbondenheidsvermoeden.
Bovengenoemde veronderstelling van de aanwezigheid van een ‘belang’ op basis van een aandelenbezit dient om duidelijkheid te bieden in ‘standaardsituaties’ ten aanzien van aandelenvennootschappen, waarin bijvoorbeeld geen sprake is van zeggenschap op basis van overeenkomsten en alleen een aandelenband bestaat. In verband met de antiontgaansfunctie staat de feitelijke, materieel-economische benadering echter voorop. In gevallen die afwijken van de standaardsituaties, bijvoorbeeld omdat sprake is van een vennootschap zonder een in aandelen verdeeld kapitaal of omdat er krachtens een managementovereenkomst feitelijke zeggenschap en beleidsbepalende invloed kan worden uitgeoefend zonder dat er een aandelenband is, kan ook een ‘belang’ bestaan.
Belastingplichtigen krijgen de mogelijkheid om de fiscus vooraf zekerheid te vragen over de aanwezigheid van een ‘belang’ en verbondenheid.
Art. 80 BTW-richtlijn 2006, waarin de mogelijkheid van de geobjectiveerde heffingsmaatstaf wordt geboden, is een ‘kan-bepaling’. In de bepaling is expliciet vermeld dat de lidstaten zelf een omschrijving moeten geven voor de bedoelde familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden. Ik denk daarom dat de aansluiting bij de begrippen ‘verbonden lichaam’ en ‘verbonden natuurlijk persoon’ in de zin van art. 10a lid 4 en 5 Wet VPB 1969 ook passen binnen het kader van de BTW-richtlijn 2006.