Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.6.2.4
III.6.2.4 Deelneming vóór de Vierde tranche
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460244:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uitzonderingen in bijzondere wetgeving daargelaten, zo werd het door de wijziging van de Mededingingswet in 2007 al mogelijk om feitelijk leidinggevers aan te spreken. Wet van 28 juni 2007, Stb. 2007, 284.
Zie verder over de verschillende aspecten van het legaliteitsbeginsel: Damen 2016, par. 14.4.1.
Voor deze zienswijze vond ik ook steun in Michiels, Blomberg & Jurgens 2016, p. 168 en Bröring & Vermeer 2003, p. 127-128. Zie voorts de heldere analyse Van Leeuwen & Vermeer 2014, m.n. 3.2.3.
Een mooi overzicht van pre-Vierde tranche ‘daderschap’, waarin ook aandacht wordt besteed aan de verhouding tot de strafrechtelijke daderschapsvormen, is te vinden in o.a. Van Leeuwen & Vermeer 2014; Knijff, Jurgens & Backes 1998, hoofdstuk 3; Blomberg 2000, par. 3.3-3.5; De Valk 2009, hoofdstuk 8 en par. 9.3.2.4; Mollen & Klein 2015. Specifiek over de rol van drijverschap in het pre-Vierde tranche overtredersbegrip, zie Knijff, Jurgens & Backes 1998, p. 73-75 en Knijff in de annotatie bij ABRvS (vz.) 31 juli 1998, ECLI:NL:RVS:1998:AN5836, AB 1999/45 (Givaudan).
ABRvS (vz.) 24 februari 1984, ECLI:NL:RVS:1984:AH0280, AB 1984/480 (Booy Clean).
De deelnemingsvormen die al langere tijd gebruikt worden in het strafrecht – opdrachtgeven, feitelijk leidinggeven en medeplegen – hadden vóór de Vierde tranche nog geen bestuursrechtelijk equivalent.1 Het algemene bestuursrecht kende nog geen aansprakelijkheidsvorm voor gevallen waarin iemand in strijd handelde met slechts een deel van ‘het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift’. Vanwege het legaliteitsbeginsel had het bevoegd gezag een grondslag nodig voor het opleggen van een bestuurlijke sanctie aan de betrokkene,2 en die grondslag bestond alleen als de aangesprokene (fysiek of door toerekening) het hele voorschrift zelf overtrad. Daarom moesten alle bestanddelen van de verbodsbepaling (al dan niet door toerekening) worden vervuld door de overtreder. De premisse ‘alleen degene tot wie het voorschrift gericht is, kan hem overtreden’, gold daardoor voor alle overtreders. Het normadressaatschap was een noodzakelijke voorwaarde om te worden aangemerkt als overtreder van een kwaliteitsdelict.
Als ik het goed zie, werd de onmogelijkheid om een deelnemer te sanctioneren ‘opgelost’ door middel van een extensieve uitleg van functioneel overtreden; opdrachtgeven en feitelijk leidinggeven werden niet, zoals in het strafrecht, aangemerkt als deelnemingsvormen met afwijkende criteria en een afwijkende ratio ten opzichte van plegerschap; maar als varianten van functioneel overtreden.3 Zo bezien was feitelijk leidinggeven vóór de Vierde tranche dus géén ‘vervolg’ op het overtrederschap van de rechtspersoon, maar was de feitelijk leidinggever ‘zelf ’ degene die de overtreding beging, omdat de gedragingen van de rechtspersoon die onder leiding van de betrokkene stond aan hem of haar werden toegerekend. Daardoor gold er geen accessoriteitsvereiste, en moest de pre-Vierde tranche leidinggever zelf normadressaat zijn.4
Ook de Booy Clean-uitspraak5 wijst erop dat opdrachtgeven en leidinggeven voor de Vierde tranche geen aparte overtrederschapsvormen behelzen, maar dat dit omstandigheden zijn die de toerekening aan de functionele overtreder rechtvaardigen. In deze zaak werd de enig directeur (Booij) van een bedrijf dat tanks van schepen reinigt in het Rotterdamse havengebied (Booy Clean BV) aangeschreven voor de saneringskosten van het verontreinigde oppervlaktewater. Booij betoogt dat hij ten onrechte is aangeschreven, omdat hij uitsluitend in de hoedanigheid van directeur van Booy Clean heeft gehandeld, en dat deze handelingen moeten worden toegerekend aan die rechtspersoon. De Afdeling overweegt:
“Als vaststaand moet worden aangenomen dat verzoeker J. Booij als enig directeur van het betrokken bedrijf opdracht heeft gegeven tot de verboden lozingen dan wel daaraan feitelijk leiding heeft gegeven, althans deze niet heeft verhinderd alhoewel zulks gegeven de door hem beklede functie in zijn macht lag. Door aldus te hebben gehandeld, dient hij naar ons voorlopig oordeel als overtreder in de zin van evenbedoeld artikel te worden aangemerkt.” [curs. TRB]