Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/1.1.0
1.1.0 Introductie
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301639:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Een in het vervolg van deze studie aangehaald wetsartikel verwijst zonder nadere aanduiding naar het huidige Nederlandse Burgerlijk wetboek (BW).
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-747.
Ook komt in deze studie aan de orde de aansprakelijkheid voor de in art. 6:175 bedoelde gevaarlijke stoffen, nu art. 6:181 met lid 3 ook voor deze ‘gevaarsobjecten’ een regeling kent. Zie o.a. par. 1.1.7.
Los van een eventuele contractuele regeling tussen het transport-/bouwbedrijf en de vereniging. Ook voor de nog komende voorbeelden geldt dat eventuele bestaande contractuele regelingen buiten beschouwing worden gelaten.
Het aansprakelijkheidsrecht ziet roerende zaken, opstallen en dieren als bronnen van ‘verhoogd gevaar’, in die zin dat zij een verhoogde kans op schade voor personen en zaken creëren. Voorbeelden van verwezenlijking van bedoeld ‘verhoogd gevaar’ in zowel de particuliere als professionele sfeer zijn niet moeilijk te geven: de weigerende remmen van een fiets of het ontploffen van een productiemachine, het instorten van een balkon van een flatgebouw of het neerkomen van het dak van een bedrijfspand, de bijtende gezinshond of het trappende manegepaard. De wetgever heeft voor dit soort gevallen ‘bijzondere’ aansprakelijkheden in het leven geroepen, neergelegd in art. 6:173, 174, 179 en 181 BW en opgenomen in afd. 6.3.2 BW (‘Aansprakelijkheid voor personen en zaken’).1 De art. 6:173 lid 1, 174 lid 1 en 179 bepalen dat wanneer een roerende zaak, opstal of dier schade veroorzaakt, de aansprakelijkheid daarvoor rust op de bezitter van deze ‘gevaarsobjecten’. Worden de zaken en dieren ‘gebruikt in de uitoefening van een bedrijf’, dan rust de aansprakelijkheid op degene die dit bedrijf uitoefent, zo luidt de vuistregel van art. 6:181. De wetgever heeft met art. 6:173, 174, 179 en 181 beoogd in de daarin geregelde gevallen van schadeveroorzaking ‘duidelijkheid’ en ‘overzichtelijkheid’ te bieden. Zijns inziens moeten benadeelden in geval van schade door een roerende zaak, opstal of dier steeds een duidelijk aanspreekpunt hebben waar zij voor vergoeding terecht kunnen. Tegelijkertijd moet in de ogen van de wetgever voor (potentieel) aansprakelijken overzichtelijk zijn welke aansprakelijkheidsrisico’s zij lopen, om deze te kunnen (in)calculeren en – desgewenst – verzekeren.2 Ook aansprakelijkheidsverzekeraars hebben in dit verband behoefte aan duidelijkheid, eveneens om de risico’s zo goed mogelijk te kunnen calculeren, zij het om de verzekeringspremies daarop te kunnen afstemmen. Kortom, in geval van schade veroorzaakt door een roerende zaak, opstal of dier wordt het wenselijk geacht dat steeds (vlot) helder is op wie daarvoor binnen het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 de aansprakelijkheid rust.3 Sinds de invoering van afd. 6.3.2 BW in 1992, inmiddels meer dan 25 jaar geleden, lijkt dit doel echter nog altijd niet te zijn bereikt. Ter illustratie kan de navolgende casus dienen.
‘De carnavalsvereniging’
Op verzoek van de plaatselijke carnavalsvereniging, stelt een particuliere paardenbezitter een van zijn paarden om niet beschikbaar. Het doel is dat dit paard de praalwagen van de vereniging zal trekken tijdens de aankomende jaarlijkse carnavalsoptocht in het dorp. De voorzitter van de carnavalsvereniging haalt het paard op de dag van de optocht al vroeg in de ochtend bij de paardenbezitter met een veewagen op. Een lokaal transportbedrijf bleek bereid een op dat moment overbodige veewagen tegen een geringe vergoeding kortstondig aan de vereniging ter beschikking te stellen. Omdat de optocht pas ’s middags van start gaat besluit de voorzitter, na het paard op het terrein van de bezitter in de veewagen te hebben geladen, eerst nog langs huis te rijden. Zijn 16-jarige dochter, eveneens lid van de carnavalsvereniging, is dol op paarden: het zou leuk zijn om van de gelegenheid gebruik te maken en haar een ritje op het dier te laten maken, zo bedenkt de voorzitter zich. Bovendien, zo weet de voorzitter, zal een ritje op het paard bijdragen aan de motivatie van zijn dochter zich te blijven inzetten voor de carnavalsvereniging. Nadat zijn dochter ‘thuis’ een geslaagd ritje op het paard heeft gemaakt, vervolgt de voorzitter zijn weg met het paard in de veewagen naar het clubhuis van de carnavalsvereniging. Dit clubhuis is gevestigd in een loods, die de vereniging al jaren huurt van een vastgoedbedrijf. De loods is bij uitstek geschikt om daarin telkens de voorbereidingen voor de jaarlijkse carnavalsoptocht te treffen. Ook dit jaar hebben de leden van de vereniging de afgelopen periode koortsachtig in de loods gewerkt aan de bouw van de praalwagen. Hierbij bediende de vereniging zich van diverse gereedschappen, waaronder een elektrische cirkelzaagmachine voor de houtbewerking. Dit apparaat werd gehuurd van de plaatselijke bouwmarkt. Toen het werk aan de praalwagen tijdig was afgerond, merkte een van de leden van de vereniging gekscherend op dat “nu alleen nog een instorting van het dak waaronder de praalwagen staat een geslaagde optocht in de weg kan staan”. Eenmaal bij de loods aangekomen, laadt de voorzitter het paard uit de veewagen. Omdat het een nogal regenachtige dag is, komt de loods nu tevens goed van pas om het paard te stallen in afwachting van de start van de optocht later op de dag. Wanneer de optocht dan eindelijk op het punt van beginnen staat, geleidt de voorzitter van de carnavalsvereniging het paard vanuit de loods aan de leidsels naar het startpunt. Daar is door andere leden van de carnavalsvereniging de praalwagen al klaargezet. Het paard wordt voor de praalwagen gespannen, waarmee alles in gereedheid is gebracht voor de optocht.
Deze – niet eens zo vergezochte – casus bergt diverse kernvragen in zich betreffende de toepassing van art. 6:181 in combinatie met art. 6:173, 174 en 179. Ik doel op het risico dat op enig moment schade wordt veroorzaakt door de veewagen (art. 6:173), cirkelzaag (6:173), loods (art. 6:174) of het paard (art. 6:179). Zo vraagt de particuliere bezitter, die zijn paard belangeloos ter beschikking stelde aan de carnavalsvereniging, zich af hoe het zit met zijn wettelijke aansprakelijkheid: stel dat het dier tijdens het meelopen in de optocht een schrikreactie vertoont en daarbij een toevallige toeschouwer verwondt? Bij de carnavalsvereniging leeft eenzelfde vraag: loopt zij het risico te worden belast met de aansprakelijkheid voor het paard ex art. 6:179? Zowel de paardenbezitter als de carnavalsvereniging vraagt zich bovendien af, of het met het oog op het risico dat het paard tijdens de optocht schade aanricht verstandig is een verzekering af te sluiten. Ook aansprakelijkheidsverzekeraars zullen in verband met de premiebepaling willen weten wie in gevallen als deze een aansprakelijkheidsrisico loopt. Niet in de laatste plaats komt het ook voor de onfortuinlijke toeschouwer wenselijk voor dat (snel) duidelijk is wie op grond van art. 6:179 kan worden aangesproken voor de door het dier aangerichte schade: de bezitter van het paard, de carnavalsvereniging, of beiden?
Met betrekking tot de aan de carnavalsvereniging tegen vergoeding beschikbaar gestelde veewagen en cirkelzaag spelen vergelijkbare vragen. Het transportbedrijf en ook de bouwmarkt vragen zich af of zij gelet op art. 6:173 en 181 een aansprakelijkheidsrisico lopen – en of het wenselijk is zich te verzekeren – in het onverhoopte geval van schade door het niet goed functioneren van bedoelde zaken gedurende het gebruik dat de carnavalsvereniging daarvan maakt.4 Duidelijkheid over de vraag wie wanneer welk aansprakelijkheidsrisico loopt in gevallen van verhuur (en daarmee vergelijkbare activiteiten als bijvoorbeeld leasing) van roerende zaken is ook relevant voor aansprakelijkheidsverzekeraars in verband met de premiestelling. Wederom speelt ook het belang van degene die de schade lijdt, en wel in die zin dat sprake is van een gemakkelijk op te sporen adres waar hij voor schadevergoeding terecht kan: rust in geval van schade door een (verborgen) gebrek in een roerende zaak die door de één aan de ander ter beschikking is gesteld de aansprakelijkheid nu op de ‘uitlener’ daarvan, op de ‘inlener’, of op beiden?
Voor wat betreft de door de carnavalsvereniging gehuurde loods geldt dat de voorzitter zich, tussen alle gekscherende opmerkingen van de leden door, toch serieus afvraagt wie nu eigenlijk een aansprakelijkheidsrisico loopt. Op wie rust de aansprakelijkheid ex art. 6:174 indien het dak van de loods inderdaad plotseling zou neerkomen, en daarbij onverhoopt een of meer leden van de vereniging zou treffen, zo overpeinst de voorzitter. Hij vraagt zich af of de vereniging er goed aan zou doen daarvoor in ieder geval een verzekering af te sluiten. Ook voor de verhuurder van de loods is het van belang te weten of hij een aansprakelijkheidsrisico loopt in geval van schade door een gebrek in een opstal die door hem voor gebruik aan een ander ter beschikking is gesteld. Zo ja, dan kan hij zich daar immers tegen verzekeren en de kosten daarvan (de verzekeringspremies) zelfs doorberekenen aan zijn huurders. In het kader van een zo adequaat mogelijke premiebepaling hebben ook aansprakelijkheidsverzekeraars belang bij duidelijkheid over de vraag wie aansprakelijk is voor schade door een opstal in geval van verhuur of andere vormen van terbeschikkingstelling. Uiteraard speelt ook hier het belang van de schadelijder: dient hij zijn pijlen op kwalitatieve grondslag te richten op de eigenaar/verhuurder van de opstal, op de huurder daarvan, of kunnen beiden met succes worden aangesproken?
Met de aansprakelijkheden voor roerende zaken, opstallen en dieren van art. 6:173, 174, 179 en 181 is als gezegd beoogd voor alle betrokkenen ‘duidelijkheid’ en ‘overzichtelijkheid’ te creëren. Toch is het ook in bepaald niet ‘onalledaagse’ gevallen vaak helemaal niet duidelijk wie wanneer welk aansprakelijkheidsrisico loopt en waar degene die de schade lijdt voor een vergoeding terecht kan. Ook ten aanzien van de zojuist gegeven casus biedt het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 nog altijd geen ‘duidelijke’ antwoorden op voor de hand liggende vragen van de betrokkenen over aspecten van aansprakelijkheid en verzekering. Ten aanzien van de toepassing van art. 6:181 stuit men in de gegeven casus namelijk al gauw op de navolgende vraagstukken.