De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.4.4.1:5.4.4.1 Hoofdregel
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/5.4.4.1
5.4.4.1 Hoofdregel
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS383735:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit volgt uit art. 2:154/264 lid 2 BW. De uitlooptijd van drie jaren geldt niet indien een wettelijke vrijstelling van de opgaafplicht op de vennootschap van toepassing wordt (art. 2:153/263 lid 3 BW).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hoofdregel die inhoudt dat de uit de fusie ontstane vennootschap is onderworpen aan het medezeggenschapsrecht van de lidstaat waar zij haar statutaire zetel vestigt, is niet in art. 2:333k BW geïmplementeerd. De Nederlandse wetgever achtte implementatie overbodig. Een motivering ontbreekt, maar heeft vermoedelijk van doen met het feit dat de hoofdregel ook zonder implementatie gelding heeft. De artt. 10:118 en 119 BW sluiten voor het toepasselijke recht reeds aan bij de statutaire zetel van een vennootschap. Hierop valt weinig af te dingen, al was het voor degenen die de complexe tekst inzake medezeggenschap trachten te doorgronden prettiger geweest als de hoofdregel desondanks in art. 2:333k BW was vermeld.
Krachtens de hoofdregel is een uit de fusie ontstane Nederlandse vennootschap onderworpen aan de medezeggenschapsbepalingen van de structuurregeling, mits dit regime op de betreffende vennootschap van toepassing is. Dit is het geval indien de verkrijgende Nederlandse vennootschap voorafgaand aan de fusie reeds een structuurvennootschap was. Door de wettelijke uitloopperiode van drie jaren is dit niet anders indien de verkrijgende structuurvennootschap na de fusie niet langer aan de materiële voorwaarden inzake minimumkapitaal en personeelsomvang voldoet.1 Aan de andere kant heeft de inloopperiode van drie jaar tot gevolg dat een verkrijgende of nieuw opgerichte Nederlandse vennootschap die eerst als gevolg van de fusie aan de materiële voorwaarden van de structuurregeling voldoet, niet direct verplicht is tot toepassing. Uiteraard kan de structuurregeling wel vrijwillig worden toegepast. Dit kan voor de fuserende partijen voordelig zijn om onderhandelingen te voorkomen (zie hierna paragraaf 5.4.4.3). Indien de uit de fusie ontstane vennootschap een NV is, heeft de hoofdregel tevens tot gevolg dat het spreekrecht gelding heeft.