Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.5:17.5 De verwachting bij het vertrouwen: inspanning en resultaat
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.5
17.5 De verwachting bij het vertrouwen: inspanning en resultaat
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458222:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De dimensie van de verwachting bij het vertrouwen ziet op de vraag of de prestatie die men van de andere staat verwacht een bepaalde inspanning betreft of het daadwerkelijk behalen van een bepaald resultaat In deze dimensie van het vertrouwensbeginsel is weer eerder dan in hiervoor besproken dimensies een verschuiving te verwachten van het ene onderdeel naar het andere. Gevolg daarvan zou een sterkere of zwakkere normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel zijn. Globaal komt het erop neer dat resultaatsvertrouwen sterker werkt dan inspanningsvertrouwen. Bij resultaatsvertrouwen wordt er immers op vertrouwd dat het resultaat daadwerkelijk wordt of is bereikt, terwijl bij inspanningsvertrouwen het vertrouwen niet verder gaat dan het vertrouwen dat de inspanning om een bepaald resultaat te bereiken te goeder trouw zal plaatsvinden. Bij dergelijk inspanningsvertrouwen is veel eerder denkbaar dat er een obstakel is om de rechtshulp te verlenen of de resultaten daarvan te gebruiken. Dat is het geval wanneer, hoewel wordt vertrouwd op de inspanning van de andere staat, desondanks niet wordt verwacht dat het benodigde resultaat zal worden bereikt, bijvoorbeeld omdat de verantwoordelijke autoriteiten niet bij machte zijn dat resultaat te bereiken. Bij meer juridisch getinte garanties, zeker wanneer die binnen de competentie van de direct betrokken autoriteit vallen, werkt inspanningsvertrouwen wel weer sterker dan wanneer het om meer feitelijke garanties gaat, zeker wanneer anderen (meestal lager in de hiërarchie) bij het effectueren van feitelijke garanties ook een belangrijke of zelfs beslissende rol spelen.
Een verschuiving van inspannings- naar resultaatsvertrouwen zal sterk samenhangen met de concrete bewoordingen van het instrument, omdat dwingend geformuleerd vertrouwen (bijvoorbeeld door een volstrekte afwezigheid van een weigeringsgrond) op resultaatsvertrouwen wijst.
Ook binnen één van de twee aspecten van deze dimensie kan een versterking of verzwakking optreden. Een meer structurele aanleiding daarvoor kan zijn gelegen in de structurele verandering die het beginsel van wederzijdse erkenning met zich brengt. Ik doel hier op de verschuiving van samenwerking op ministerieel of diplomatiek niveau naar samenwerking tussen justitiële autoriteiten. Daardoor vindt samenwerking plaats tussen een veel groter aantal justitiële autoriteiten, dan wanneer de samenwerking geschiedt op ministerieel of diplomatiek niveau. Bovendien gaat het om samenwerking tussen autoriteiten op lager, uitvoerend niveau in plaats van om samenwerking tussen de verantwoordelijke ministers. Dat kan ertoe leiden dat inspanningsvertrouwen minder sterk is. Waar misschien nog wel vertrouwen bestaat in de inspanning van een individuele minister, is dat er niet of minder sterk waar het om een gewone officier van justitie gaat. Aan de andere kant zal de minister vaak wat meer op afstand staan van de voor de strafrechtelijke samenwerking daadwerkelijk relevante gebeurtenissen en gedragingen. Een minister te goeder trouw heeft niet in de hand hoe een doorzoeking wordt verricht, een officier van justitie heeft dat doorgaans als direct verantwoordelijke wel. Verder kunnen voor een minister veel sneller andere dan juridische overwegingen meespelen, terwijl een onafhankelijke magistraat zich enkel door juridische overwegingen zou behoren te laten leiden. Een eenduidige richting waarin het vertrouwen zich door deze verschuiving beweegt, is dus niet zonder meer te schetsen.
Een belangrijke andere verschuiving is het resultaatsvertrouwen waar het de mensenrechten betreft. Deze dimensie is voor een deel terug te voeren op de gelding van het EVRM en het toezicht door het EHRM, maar wordt versterkt en aangevuld door het kader van de EU. Het recht op een eerlijk proces en het folterverbod uitgezonderd, wordt de effectuering van de mensenrechten grotendeels overgelaten aan de rechter in de andere staat met als bovenstatelijke garantie de toegang tot het EHRM. Dit is goed te zien in de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van kleine rechtshulp. Beweerdelijke schending van enig ander recht dan dat op een eerlijk proces dient de betrokkene, bij opsporing onder verantwoordelijkheid van de andere staat, voor te leggen aan de rechter aldaar. Dit is te zien als resultaatsvertrouwen, zij het dat er een ondergrens bestaat, namelijk wanneer de beoordeling door die rechter niet zou voldoen aan artikel 6 EVRM. Eigenlijk is het een hybride vorm: zolang de mogelijke schendingen niet het eerlijk proces flagrant dreigen te raken, geldt een resultaatsvertrouwen, wanneer het recht op een eerlijk proces wel in het geding komt, zal een zeker inspanningsvertrouwen gelden, maar is afwijking mogelijk wanneer de schending van artikel 6 EVRM voldoende aannemelijk wordt.
17.5.1 Inspanningsvertrouwen17.5.2 Resultaatsvertrouwen