Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/1.4
1.4 Conservatoir beslag: een bijzondere regeling
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS492224:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.3.
Zie paragraaf 5.2.4.
Dit geldt evenzo voor de vereisten van artikel 6 EVRM inzake een eerlijke behandeling. Smits bespreekt de vereisten verbonden aan een eerlijke behandeling zoals bedoeld in artikel 6 EVRM: rechtelijk gehoor in aanwezigheid van partijen (p. 98-115 en 127-129), de mogelijkheid van tegenspraak (p. 115-120), de motiveringsplicht (p. 150-154) en het openbaarheidsbeginsel (p. 157-190). Expliciet noemt Smits de uitzondering op het recht om gehoord te worden in de verlofprocedure in Nederland als een ‘geïnstitutionaliseerde uitzondering’. Over eventuele strijd met artikel 6 EVRM spreekt Smits zich niet uit.
Het verkrijgen van verlof van de rechter voor het leggen van een conservatoir beslag is in Nederland procedureel gezien eenvoudig. De regels voor het beoordelen van verzoeken zijn in 2011 weliswaar aangescherpt doordat de bepalingen die hierop zien in de Beslagsyllabus werden gewijzigd, feit blijft dat in vergelijking met de ons omringende landen het verkrijgen van verlof relatief eenvoudig is. Een uiteenzetting door de verzoeker (de beslaglegger in spé) van diens vermeende vordering, vergezeld van specifieke documentatie is hiertoe veelal al voldoende. Een vermeende vordering wil hier zeggen: een niet vaststaande vordering omdat (nog) niet in rechte is vastgesteld dat de verzoeker ook daadwerkelijk een vorderingsrecht heeft. Deze status van de vordering die aan het beslag ten grondslag wordt gelegd, tezamen met de omstandigheid dat de beoogd beslagene – behoudens bijzondere omstandigheden – in dit stadium door de voorzieningenrechter niet wordt gehoord of anderszins de gelegenheid heeft om zijn visie op de zaak te geven, maken dat de procedure van verlofverlening eenzijdig is. Een verlof tot het leggen van conservatoir beslag wordt voorzien van een handtekening van de voorzieningenrechter en bevat geen motivering van de beslissing.1 Tegen een verlof kan geen hoger beroep worden ingesteld (de beslagene dient in de positie van eiser een beroep te doen op de procedure van het opheffingskortgeding van artikel 705 Rv), tegen een geweigerd verlof daarentegen kan wel hoger beroep worden ingesteld.2
Met deze procedurele gang van zaken bij het verlenen van verlof wordt aldus voorbij gegaan aan een aantal hoofdbeginselen die op alle civiele procedures van toepassing zijn en voor een eerlijk proces onmisbaar worden geacht. Ik noem hierbij het beginsel van de motiveringsplicht zoals opgenomen in artikel 30 Rv, het principe van hoor en wederhoor van artikel 19 Rv en het beginsel van openbaarheid van terechtzitting zoals opgenomen in artikel 27 Rv.3
Een vraag die zich opdringt is op grond van welke argumenten de voorschriften voor het verlenen van conservatoir beslagverlof verstoken zijn van een aantal hoofdbeginselen, met als gevolg een uiterst eenzijdige gang van zaken. Een antwoord op deze vraag dient te worden gevonden in redenen van praktische aard: indien een beoogd beslagene kennis zou hebben van een verzoek tot beslaglegging, bestaat de mogelijkheid dat deze vermogensbestanddelen laat verdwijnen, zodat hierop geen beslag meer kan worden gelegd. Snelheid en gebrek aan kennis van wat te gebeuren staat zijn dus essentieel. In ons land wordt grote waarde gehecht aan de mogelijkheid om in een stadium dat er nog geen rechterlijk oordeel over een vordering gegeven is, door een schuldeiser toch bewarende maatregelen kunnen worden getroffen. De bedoeling hiervan is dat schuldeisers na verkrijging van een executoriale titel niet het risico lopen om met een oninbare vordering te blijven zitten. Dit alles klinkt niet alleen logisch maar ook eenzijdig, en dat is het goed beschouwd ook.