Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.4.2
14.4.4.2 Boetebeleid en de volle rechterlijke toetsing
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940468:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 26 september 2003, BNB 2004/63, r.o. 3.6. Die toetsing verricht de rechter op grond van art. 4:84 Awb (zie paragraaf 14.4.3.3 hiervoor).
HR 10 februari 1993, BNB 1993/138, r.o. 4.13. Aldus ook: Feteris 2007, p. 340 en de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, V-N 2014/45.6 en bij Rb Gelderland 12 april 2018, V-N 2018/41.22. Zie voorts bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, V-N 2016/44.4, r.o. 4.5 (‘ook niet in het BBBB genoemde omstandigheden’).
Zie bijvoorbeeld r.o. 5.3 van de Hofuitspraak die vooraf ging aan HR 17 september 2021, V-N 2021/39.19.3.
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, V-N 2014/45.6. Het betrof hier een vergrijpboete.
Paragraaf 28 lid 8 BBBB ziet op de niet-sluitende rittenregistratie. Daarmee wordt dus de kwaliteit van een bepaald bewijsmiddel, dat normaliter gebezigd wordt ter vermijding van enige bijtelling, gebruikt als strafverzwarende omstandigheid. Dat lijkt mij ook in strijd te komen met het fair play beginsel.
Opgenomen bij Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, V-N 2014/45.6. Ter nadere onderbouwing van de beoogde standaard-strafverzwaring is op 1 januari 2015 een nieuw (thans) vijfde lid aan paragraaf 28 BBBB toegevoegd. Naar mijn mening kan ook met die algemene toelichting echter niet vooraf worden bereikt dat de boete bij bijtellingsfouten altijd hoger moet zijn dan bij andere fouten.
Ook Krukkert is kritisch over deze vorm van strafverzwaring, zie Krukkert 2018, p. 271-273.
Wellicht is het – althans voor bepaalde groepen belastingplichtigen – verdedigbaar dat de strenge tegenbewijsregels van algemene bekendheid zijn. Zie over de (voor)vraag of bewijsnood onder omstandigheden opzet of grove schuld kan opleveren nader paragraaf 9.3.3.3.2 onder ‘Negatieve heffingscomponenten en tegenbewijs tegen wetsficties’.
Vgl. ook Hof ’s-Hertogenbosch 13 augustus 2015, V-N 2015/55.22.20, waarin de relatief geringe ernst van de gemaakte fouten duidelijk doorklonk in de uiteindelijk opgelegde boete (10 %). Het ging in dit geval om een verzuimboete.
Zie daaromtrent nader: Krukkert 2018, par. 6.4.2.1.
Zie paragraaf 26 lid 10 en paragraaf 27 lid 6 BBBB. In dezelfde zin: Krukkert 2018, p. 266. Dat voor deze inkomenscategorie wettelijk een verhoogd boetemaximum van toepassing is (zie art. 67d lid 5 en art. 67e lid 6 AWR), rechtvaardigt dat niet. Zie in dat licht ook HvJ EU 6 oktober 2021 (Ecotex), C-544/19, V-N 2021/43.14, r.o. 110: een boete van 100 % is in de ogen van het HvJ EU niet meer proportioneel. Vgl. in dit kader ook de per 2018 vervallen inkeerregeling voor buitenlandse box 3-inkomsten, gevolgd door de algehele afschaffing van de inkeerregeling voor box 2- en box 3-inkomsten in 2020, waarover nader in paragraaf 9.4.5. Dat betekent niet meer dan dat het begaan van beboetbare feit in al zijn elementen, ook als de boeteling inkeert, gewoon overeind blijft. Daarmee is nog niets gezegd over de ernst van het vergrijp.
Indien de boeteling de toepassing van het BBBB in zijn geval ter discussie stelt,1 brengt de volle rechterlijke toetsing mee dat de rechter niet alleen moet bekijken of de opgelegde boete in overeenstemming is met het BBBB, maar ook of de toepassing van het BBBB als zodanig in het concrete geval evenredig is (en dus überhaupt mocht worden toegepast).2
Het behoeft voor wat betreft de bepaling van de strafmaat verder geen betoog dat de rechter niet gebonden is aan de suggesties die aan de inspecteur gedaan worden in paragraaf 7 en paragraaf 8 BBBB.3 Dat zijn immers beleidsregels die zich richten tot de inspecteur.4
Ook beleidsmatige voorschriften die de standaard-strafmaat voor bepaalde typen beboetbare feiten verhogen, hebben geen invloed op de rechterlijke toetsing. Het BBBB kent bijvoorbeeld een specifieke strafmaatverhoging ten aanzien van boetes die als grondslag de bijtelling voor privégebruik van de auto hebben.5 Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden wordt met dat beleid ten onrechte de mate van verwijtbaarheid losgelaten als criterium voor de straftoemeting.6 De hogere boete wordt immers opgelegd om de enkele reden dat deze betrekking heeft op een bepaald onderdeel van de belastinggrondslag of op een bepaalde manier van (niet) voldoen aan de bewijslast.7 De Staatssecretaris van Financiën heeft om casus-specifieke redenen afgezien van beroep in cassatie, maar gaf in zijn toelichting wel aan vast te houden aan de standaard-strafmaatverhoging.8 Naar mijn mening is de opvatting van het Hof juist. Het gaat er bij de individuele straftoemeting om, hoe ernstig het verwijt in het concrete geval is.9 Op zichzelf is het denkbaar dat een belastingplichtige die goed op de hoogte is van de strenge tegenbewijsregels in het kader van de bijtelling, maar geen enkele moeite doet om daaraan te voldoen, een ernstiger verwijt treft dan de doorsnee belastingplichtige.10 De strafverzwaring die daar bij past, vindt dan echter niet zijn grond in het enkele feit dat het om de bijtelling gaat, maar om de slordige en onverschillige houding van de belastingplichtige in kwestie.11
Ook andere bepalingen uit het boetebeleid, die voor bepaalde inkomenscategorieën of gedragingen standaard een hogere boete voorschrijven, zullen naar mijn verwachting de rechterlijke toets niet doorstaan. Te denken valt in het bijzonder aan de vergrijpboetes bij verzwegen box 3-vermogen.12 Ook de daarop ziende straftoemetingsvoorschriften uit het BBBB houden geen rekening met de omstandigheden van het individuele geval.13