De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.3.3.2:8.3.3.2 Een praktijkvoorbeeld
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.3.3.2
8.3.3.2 Een praktijkvoorbeeld
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367296:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 27 mei 2010 JOR 2010/189 m.nt. Stevens (PCM). In gelijke zin Hof Amsterdam (OK) 22 maart 2002, JOR 2002/82 (RNA), r.o. 3.50.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een mooi voorbeeld dat de ondernemingskamer zich beperkt tot reorganisatorische maatregelen en niet zelf bepaalt welke koers de vennootschap moet inslaan is de PCM-beschikking.1 Daarin vernietigt de ondernemingskamer enkele déchargebesluiten. Het doel daarvan, zo legt de ondernemingskamer uit, is het vrijmaken van de mogelijkheid tot herevaluering van het gevoerde beleid. Deze herevaluering wordt vervolgens aan de rechtspersoon overgelaten. Tevens wordt aan de rechtspersoon zelf overgelaten om te bezien welke (mitigerende) maatregelen – thans nog – in rechte en in redelijkheid te realiseren zijn. De ondernemingskamer ziet geen reden voor aanvullende (onmiddellijke) voorzieningen.
De ondernemingskamer motiveert deze beslissing overigens niet (expliciet) met een verwijzing naar de in par. 8.3.3 besproken wetsgeschiedenis. Wel is in de desbetreffende rechtsoverweging een echo te lezen van de opvatting van de wetgever dat de ondernemingskamer niet op de stoel van de ondernemer moet plaatsnemen. Ten eerste legt de ondernemingskamer uit waarom zij niet in een positie verkeert om zelf het gevoerde beleid te heroverwegen en te bepalen welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Zij wijst in dat kader op het tijdverloop tussen de litigieuze besluiten en de vernietiging daarvan, de complexiteit van de desbetreffende materie, en de faits accomplis die inmiddels zijn gecreëerd. Ten tweede overweegt de ondernemingskamer dat er geen reden is om het beleid zelf te herevalueren en mitigerende maatregelen te bepalen, omdat de personele bezetting van besluitvormende organen van de rechtspersoon inmiddels grondig is gewijzigd en er geen reden is om te veronderstellen dat deze organen niet in staat zijn om een en ander op adequate wijze te verrichten. Ergo, omdat de rechtspersoon zichzelf reeds heeft gesaneerd, is er geen reden voor ingrijpen door de ondernemingskamer.