Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.5.2
9.3.5.2 Het ontstaansmoment van een vorderingsrecht
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648967:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Schuijling 2016, par. 3.4.3.3 voor een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling die door de jaren heen heeft plaatsgevonden.
Zie onder meer HR 25 februari 1932, NJ 1932/301.
HR 29 december 1933, NJ 1934/343.
HR 15 maart 1940, NJ 1940/848.
HR 9 december 1932, NJ 1933/301.
Meijers merkte ten aanzien van deze minder consistente lijn op: “hoe weinig de Hoge Raad bij begrippen als “verschuldigd zijn” en “vordering” een dogmatische uitlegging volgt, maar hoezeer hij deze termen voor ieder artikel uitlegt, gelijk het doel der bepaling verlangt.” Meijers, noot bij HR 9 december 1932, NJ 1933/301.
HR 26 maart 1982, NJ 1982/615.
Schuijling 2016, par. 3.4.3.5.
HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285.
Schuijling 2016, 3.4.3.2.
Vgl. HR 11 oktober 1985, NJ 1986/68 en HR 28 september 1990, NJ 1991/305.
Op basis van de 403-verklaring kan een aansprakelijkheidsstelling volgen. De aansprakelijkheidsstelling is de handeling van de schuldeiser die ervoor kiest om tot het aanspreken van de consoliderende rechtspersoon over te gaan. Ik neem aan dat de overweging van de Hoge Raad 2.20 in het ING/AKZO-arrest, waar wordt gesproken van een ‘aansprakelijkstelling’, berust op een onzorgvuldige formulering en ‘aansprakelijkheid’ bedoeld wordt (HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002/447).
Zie voor een uitgebreide uiteenzetting: Schuijling 2016, par. 3.4.3.
Kan op basis van het eenzijdig deponeren van een verklaring worden geconcludeerd dat er een vorderingsrecht is ontstaan? De wet geeft geen duidelijkheid over het ontstaansmoment van een vorderingsrecht. Daarmee is de vraag wanneer een vorderingsrecht ontstaat, overgelaten aan de rechter.
Voor 1980 hanteerde de Hoge Raad een ruime benadering voor het aannemen van het bestaan van een vorderingsrecht.1 De ruime benadering is met name ontwikkeld naar aanleiding van praktijksituaties waarin sprake was van beslaglegging. De Hoge Raad maakte geen onderscheid tussen vorderingen die reeds opeisbaar waren en vorderingen die nog niet opeisbaar waren. Zo konden toekomstige vorderingen, bijvoorbeeld uit hoofde van een arbeidsovereenkomst, worden aangemerkt als bestaande vorderingsrechten en worden beslagen.2 Voor wat betreft cessie werd een vergelijkbare benadering gehanteerd. Het bestaan van een vordering werd aangenomen wanneer de rechtsverhouding voor de grondslag van de vordering ten tijde van de cessie reeds bestond.3 Voor wat betreft vorderingen uit duurovereenkomsten werd aangenomen dat vorderingen die daaruit voortvloeiden, reeds ontstonden bij het sluiten van de overeenkomst.4 De lijn lijkt consistent. Maar er waren ook uitzonderingen waarin de Hoge Raad niet aanvaardde dat de vordering reeds bestond, ook al bestond de rechtsgrond voor de vordering al wel.5 De Hoge Raad zag ruimte voor afwijkende standpunten wanneer het niet ging om de vraag of cessie of beslag mogelijk was. Voor de vraag of sprake was van een reeds bestaand vorderingsrecht, leek de context voor de Hoge Raad de doorslaggevende factor te zijn en hanteerde de Hoge Raad niet een dogmatische benadering.6
In 1982 was er een kentering in de lijn van de Hoge Raad. In het arrest SOS/ABN7 verliet de Hoge Raad de ruime opvatting, inhoudende dat slechts het bestaan van de rechtsverhouding genoeg was om aan te nemen dat het vorderingsrecht bestond. In het SOS/ABN-arrest ging het om de cessie van een vordering. De Hoge Raad wijzigde zijn koers en oordeelde dat het bestaan van een vordering niet meer kon worden aangenomen op basis van het enkele feit dat de rechtsverhouding voor die vordering reeds bestond. Helaas gaf de Hoge Raad niet aan wat dan wel de criteria waren waaraan kon worden getoetst of sprake was van een reeds bestaand vorderingsrecht.
In de literatuur wordt opgemerkt dat het vanwege het ontbreken van concrete criteria niet eenvoudig is om vast te stellen of een vordering reeds bestaat:8
“Tot op heden is noch in de wet, noch in de rechtspraak van de Hoge Raad een algemeen criterium geformuleerd aan de hand waarvan het bestaan van een vordering kan worden bepaald. In de literatuur zijn echter pogingen ondernomen om tot een onderscheidende norm te komen die het – door de Hoge Raad gekozen – ontstaansmoment van vorderingen kan verklaren en voorspellen.”
De Hoge Raad heeft echter bepaald dat een vordering ontstaat op het moment waarop vaststaat dat een prestatie is verschuldigd:9
“Een vordering ontstaat zodra de ene persoon (de schuldeiser) jegens de andere persoon (de schuldenaar) wordt gerechtigd tot een prestatie en de ander jegens de een daartoe wordt verplicht.”
In de situatie van een 403-vordering zou kunnen worden betoogd dat een schuldeiser gerechtigd is om een bepaalde prestatie van de consoliderende rechtspersoon te ontvangen zodra hij de consoliderende rechtspersoon heeft aangesproken. De consoliderende rechtspersoon zal dan op haar beurt verplicht zijn om de prestatie te verrichten.
Op verspreide plaatsen binnen de wet worden verschillende rechtsfeiten genoemd op basis waarvan het bestaan van een vorderingsrecht kan worden aangenomen. Hierbij kan worden gedacht aan het verrichten van rechtshandelingen en het plegen van een onrechtmatige daad. Betoogd wordt, dat voor wat betreft het ontstaansmoment van een vorderingsrecht, aanknoping kan worden gezocht bij de relevante wettelijke bepaling waarop de verbintenis is gebaseerd waar het vorderingsrecht uit voortvloeit.10 In navolging van die benadering, zou een vorderingsrecht dat rechtstreeks voortvloeit uit de wet als bestaand kunnen worden beschouwd, wanneer aan alle vereisten is voldaan die de wettelijke bepaling voorschrijft.11 De uitleg van de betreffende wettelijke bepaling kan daarbij van belang zijn.
Deze benadering biedt geen soelaas voor de vaststelling van het ontstaansmoment van een 403-vordering. Een 403-vordering is niet gebaseerd op de wet en vindt haar grondslag niet in artikel 2:403 lid 1 sub f BW. Een 403-vordering is gebaseerd op de 403-verklaring en de uitleg van die verklaring zal bepalend zijn.
Zelfs wanneer zou worden aangenomen dat de rechtsgevolgen die voortvloeien uit een 403-verklaring moeten worden ingekleurd door de wettelijke regeling van artikel 2:403 zou er wat voor te zeggen zijn dat er door het deponeren van een 403-verklaring nog niet direct een vorderingsrecht ontstaat. Artikel 2:403 lid 1 sub f BW regelt niet uitdrukkelijk het ontstaan van een vorderingsrecht:
“de onder c bedoelde rechtspersoon of vennootschap schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon voortvloeiende schulden.”
Uit deze wettelijke bepaling vloeit niet voort dat er direct een vorderingsrecht ontstaat. Het nuanceverschil is misschien dun, maar in artikel 2:403 lid 1 sub f BW staat niet dat de schuldeiser een vorderingsrecht verkrijgt op de consoliderende rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde. Er staat in de wet dat de schuldeiser een recht wordt toegekend om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken.
De Hoge Raad heeft over het effect van een 403-verklaring het volgende gezegd:12
“De verklaring is een eenzijdig (ongerichte) rechtshandeling die de aansprakelijkstelling doet ontstaan.”
De vraag of een 403-vordering reeds bestaat wanneer de consoliderende rechtspersoon nog niet door een schuldeiser van de dochtervennootschap is aangesproken, is daarmee nog niet beantwoord. Maar de conclusie dat het enkel deponeren van een 403-verklaring voldoende is om een vorderingsrecht te laten ontstaan, lijkt te voorbarig.
Hiervóór kwam reeds aan de orde hoe de Hoge Raad in hoofdlijnen concludeert dat een vorderingsrecht bestaat. In de jurisprudentie zijn voor een aantal specifieke gevallen verschillende aanknopingspunten gegeven die kunnen worden gebruikt om te bepalen of een vorderingsrecht reeds bestaat.13 Een algemene lijn is op basis daarvan echter moeilijk te geven. Een algemene lijn bestaat wel ten aanzien van het onderscheid dat wordt gemaakt tussen voorwaardelijke vorderingen (vorderingen onder opschortende voorwaarden) en toekomstige vorderingen.