Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/480
OM-cassatie en cassatie opgeëiste persoon. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Amerikaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplichtigheid door aansporing van moord op haar ex-partner, medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en samenzwering om moord te plegen. Rb heeft uitlevering ontoelaatbaar verklaard t.z.v. medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en uitlevering voor het overige toelaatbaar verklaard. 1. OM-cassatie. Accessoire uitlevering, art. 2 lid 5 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Kan uitlevering worden toegestaan voor feit dat niet voldoet aan eisen van art. 2 lid 2 onder a Verdrag en art. 5 lid 1 onder a Uitleveringswet? 2. Cassatie opgeëiste persoon. Mogelijkheid dat in strafzaak tegen opgeëiste persoon de doodstraf zal worden opgelegd (art. 8 Uitleveringswet) en onzekerheid over strafbare feiten die aan opgeëiste persoon zullen worden ten laste gelegd (art. 18 lid 3 uitleveringswet). Ad 1. Rb heeft overwogen dat feit zoals vermeld in aanhoudingsbevel met nummer 1 (‘accessory after the fact of murder’) naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in art. 189 Sr en wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden. Op grond hiervan heeft Rb geoordeeld dat t.a.v. dit feit niet is voldaan aan eisen die worden gesteld door art. 2 lid 2 onder a Verdrag en art. 5 lid 1 onder a Uitleveringswet en heeft Rb uitlevering in zoverre ontoelaatbaar verklaard. Omdat Rb de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor feiten die worden vermeld in aanhoudingsbevelen met nummer 2 (‘accessory before the fact of murder’) en 3 (‘conspiracy to commit murder’), heeft Rb met dat oordeel miskend dat uitlevering voor dit feit (‘accessory after the fact of murder’) kan worden toegestaan o.g.v. art. 2 lid 5 Verdrag. Gelet op art. 94 Grondwet vinden binnen Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing als deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen. Dit betekent in dit geval dat art. 5 Uitleveringswet buiten toepassing blijft v.zv. uitlevering kan worden toegestaan o.g.v. art. 2 lid 5 Verdrag (vgl. HR 18 december 2001, NJ 2003/315, m.nt. G.A.M. Strijards). HR doet wat Rb had moeten doen en verklaart uitlevering ook toelaatbaar voor feit zoals vermeld in aanhoudingsbevel met nummer 1. Ad 2. HR: art. 81 lid 1 RO.
HR 17-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:448
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17 maart 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, T. Kooijmans, F. Posthumus
- Zaaknummer
25/04087
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
Staatsrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:448, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2026:145, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑02‑2026
Essentie
OM-cassatie en cassatie opgeëiste persoon. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Amerikaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplichtigheid door aansporing van moord op haar ex-partner, medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en samenzwering om moord te plegen. Rb heeft uitlevering ontoelaatbaar verklaard t.z.v. medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en uitlevering voor het overige toelaatbaar verklaard. 1. OM-cassatie. Accessoire uitlevering, art. 2 lid 5 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Kan uitlevering worden toegestaan voor feit dat niet voldoet aan eisen van art. 2 lid 2 onder a Verdrag en art. 5 lid 1 onder a Uitleveringswet? 2. Cassatie ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.