Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/11.2.2
11.2.2 Het Pflichtteil en de omvang daarvan
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS614415:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover uitgebreider, Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag C.H. Beck 2001, p. 873 e.v.
Zie Sudhoff, Unternehmensnachfolge, München: Verlag C.H. Beck 2005, p. 184 e.v.
Een imputatieregeling, zoals in art. 4:70 tot en met art. 4:75 BW, kent het BGB niet.
Bij de berekening van de waarde van het verkregen legaat blijven ‘Beschränkungen und Beschwerungen außer Betracht’ (§ 2306 Abs. 1 BGB). Zie daarover ook hoofdstuk 5, § 8.3.1, waarin ik heb betoogd dat dat voor de Nederlandse legitiemeregeling niet het geval is. De onderbouwing van deze mening kan naar mijn mening mede worden gebaseerd op een fundamenteel verschil tussen de Nederlandse en Duitse legitiemeregeling, dat is gelegen in het ontbreken van een imputatieregeling in laatstbedoeld systeem. In Duitsland kan een legitimaris een erfrechtelijk ‘belaste’ verkrijging immer omwisselen voor een Pflichtteil, dus is er geen reden om bij acceptatie van die verkrijging de Beschränkungen und Beschwerungen daarin dan wel te betrekken, zodat hem wellicht nog een Pflichtteilsrestanspruch toekomt; hij kan immers omwisselen. In het Nederlandse systeem is dat niet – altijd – mogelijk en is er dus alle reden om daarmee wel rekening te houden. Zou men dat niet doen, wordt de legitieme portie immers niet in weerwil van erflaters uiterste wilsbeschikkingen verkregen (art. 4:63 lid 1 BW).
Voor de verwerping van het legaat is in de wet geen termijn opgenomen. Wel kan de legitimaris/legataris een redelijke termijn worden gesteld (§ 2306 Abs. 2 BGB).
Zie verder, Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 6, 7.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 7.
Zie ook hoofdstuk 5, § 8.1.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 10.
Volgens Crezelius volgt het verbod ‘aus der Natur des Pflichtteilsanspruchs’. Georg Crezelius, Unternehmenserbrecht, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung 1998, p. 64. Volgens Riedel betreft het verbod niet slechts het ‘opleggen’ van een bepaalde waarde, maar ook van een bepaalde waarderingsmaatstaf en zelfs het voorschrijven van een bepaalde taxateur omdat denkbaar is dat de erflater daarmee het waarderingsresultaat kan beïnvloeden. Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 19. Een dergelijk verbod ontbreekt in Boek 4 BW, maar is mijns inziens ook niet nodig. Een dergelijke beschikking zou naar Nederlands erfrecht in beginsel afstuiten op het gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen (art. 4: 42 BW). Onder omstandigheden zou een dergelijke beschikking wellicht als een legaat (art. 4:117 BW) of als een testamentaire last (art. 4:136 BW) kunnen worden aangemerkt; deze doen echter geen afbreuk aan de rechten van een legitimaris (art. 4:63 lid 1 BW).
Eventuele latente belastingschulden kunnen waardedrukkend werken. Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 11, 12. Zie ook Esch, Baumann, Schulze zur Wiesche, Handbuch der Vermögensnachfolge, Berlin: Erich Schmidt Verlag GmbH & Co 2001, p. 99.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 16. Mayer signaleert dat het ‘volgen’ van de verkoopprijs voor de berekening van het Pflichtteil, de gerechtigde daartoe wellicht argumenten verschaft om bij een verkoop nadat de omvang van de aanspraak reeds is vastgesteld, nog tot een herrekening daarvan te komen. Jörg Mayer, Wertermittlung des Pflichtteilsanspruchs: Vom gemeinen, inneren und anderen Werten, ZEV 6/1994.
Zie bijvoorbeeld, Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag C.H. Beck 2001, p. 899; Esch, Baumann, Schulze zur Wiesche, Handbuch der Vermögensnachfolge, Berlin: Erich Schmidt Verlag GmbH & Co 2001, p. 98. Voor de goede orde zij opgemerkt dat ik thans uitsluitend de waardering in het sub-rechtsgebied van het Pflichtteil aan de orde stel. Hausmann schrijft dat de (erf)rechtelijke verhouding mede de waardering bepaalt; de tussen de gerechtigden bestaande rechtsverhouding bepaalt het doel, de functie en de methode van de waardering. Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 163. Zie ook hoofdstuk 9, § 2.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag C.H. Beck 2001, p. 899; Esch, Baumann, Schulze zur Wiesche, Handbuch der Vermögensnachfolge, Berlin: Erich Schmidt Verlag GmbH & Co 2001, p. 98, 99.
Zie bijvoorbeeld, Hans Klingelhöffer, Pflichtteilsrecht, München: Verlag C.H. Beck 2003, p. 85. § 242 BGB luidt als volgt: Der Schuldner ist verpflichtet, die Leistung so zu bewirken, wie Treu und Glauben mit Rücksicht auf die Verkehrssitte es erfordern. Ook Mayer wijst een correctie af. Jörg Mayer, Wertermittlung des Pflichtteilsanspruchs: Vom gemeinen, inneren und anderen Werten, ZEV 6/1994. Zie – met verwijzing naar andere relevante literatuur – voor een overeenkomend standpunt, Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 200.
Zie ook Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 201, 202, alsmede hoofdstuk 5, § 8.1.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 19, 20.
Dit verdraagt zich volgens Riedel niet met het Stichtagsprincipe van § 2311 BGB (het overlijdensmoment als peildatum). Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 21.
Deze gedachte werd, op basis van de tekst van art. 1123 lid 2 BW oud, ook aangetroffen bij Suijling-Dubois. Zie hoofdstuk 5, § 3.1.2.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 20.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 27, 28.
Indien het behoud en het voortgezette gebruik van bijvoorbeeld een onderneming niet berust op een geobjectiveerde, economisch rationele wil van de verkrijger, maar op diens subjectieve inzichten en wensen, dient van de verkoop- of liquidatiewaarde te worden uitgegaan. In die zin is deze waarde dan een ondergrens bij de berekening van het Pflichtteil. Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 27. Indien de erfgenaam daarentegen tot voortzetting van erflaters onderneming verplicht is, dient volgens Riedel onder omstandigheden niet de liquidatiewaarde maar de going concernwaarde in aanmerking te worden genomen. Die voortzettingsverplichting kan evenwel niet worden gebaseerd op erflaters – uiterste – wil omdat zich dat niet verdraagt met de aard van de legitiemeregeling. Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 63. De voortzettingsverplichting kan evenmin worden gebaseerd op de subjectieve beslissing van de voortzetter, ook al ‘voelt’ hij dat als een plicht, omdat de omvang van het Pflichtteil niet afhankelijk kan zijn van de subjectieve overwegingen en beslissingen van de verkrijger(s). Georg Crezelius, Unternehmenserbrecht, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung 1998, p. 65. De omvang van het Pflichtteil mag ook volgens Mayer niet afhankelijk zijn van de subjectieve beslissingen van de erfgenamen. Jörg Mayer, Wertermittlung des Pflichtteilsanspruchs: Vom gemeinen, inneren und anderen Werten, ZEV 6/1994. Zie voor overeenkomstige opvattingen, Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 200-202.
Zie ook hoofdstuk 5, § 11.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 171. Mijns inziens geldt dit op gelijke wijze voor het Nederlandse (erf)recht. Zie hoofdstuk 5, § 8.1.
BGH 30 september 1954, IV ZR 43/54, BGHZ 14, 368, 379. Voor de bepaling van de waarde van de nalatenschap voor de legitiemeberekening kan derhalve in Duitsland worden aangesloten bij de geobjectiveerde waarde in het fiscale recht, waaronder de successiebelastingen. Zie ook Jörg Mayer, Wertermittlung des Pflichtteilsanspruchs: Vom gemeinen, inneren und anderen Werten, ZEV 6/1994. Dit komt overeen met mijn conclusie in hoofdstuk 8, § 2 voor de Nederlandse legitiemeregeling. Op de zeer interessante ontwikkeling naar aanleiding van de uitspraak van het Bundesverfassungsgericht van 7 november 2006 (BVerfG 7 november 2006, 1 BvL 10/02) over de ‘grondwettelijke houdbaarheid’ van het Bewertungsgesetz ga ik niet in. Zie daarover bijvoorbeeld, Roman Seer, Der Beschluss des BVerfG zur Erbschaftsteuer vom 7.11.2006 – Analyse und Ausblick, ZEV 3/2007, en B.M.E.M. Schols, Alle Menschen sind gleich, oftewel ze zijn me successierechtelijk allemaal even lief ?,WFR 20076712.
Zij het met het verschil dat in de Duitse rechtsliteratuur – voor zover ik heb kunnen nagaan – aanzienlijk meer over het waardevraagstuk is geschreven dan in de Nederlandse rechtsliteratuur.
Hans Klingelhöffer, Pflichtteilsrecht, München: Verlag C.H. Beck 2003, p. 89.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag C.H. Beck 2001, p. 899.
Georg Crezelius, Unternehmenserbrecht, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung 1998, p. 64.
Zie bijvoorbeeld, Georg Crezelius, Unternehmenserbrecht, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung 1998, p. 65, en Esch, Baumann, Schulze zur Wiesche, Handbuch der Vermögensnachfolge, Berlin: Erich Schmidt Verlag GmbH & Co 2001, p. 99.
Georg Crezelius, Unternehmenserbrecht, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung 1998, p. 65, Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 198-202. Ik realiseer me dat de Nederlandse toevoegingen geen letterlijke vertaling van de Duitse begrippen zijn; qua betekenis komen zij – in grote mate – overeen.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag C.H. Beck 2001, p. 900, 901. Indien het realiseren van de in aanmerking te nemen waarde, objectiefbezien, een staking van de onderneming vereist, dient eveneens rekening te worden gehouden met de eventueel als gevolg daarvan verschuldigde belastingen, ook als de staking feitelijk niet geschiedt. Jörg Mayer, Wertermittlung des Pflichtteilsanspruchs: Vom gemeinen, inneren und anderen Werten, ZEV 6/1994. Hausmann is dezelfde mening toegedaan. Veronika Hausmann, Die Vererbung von Landgütern nach dem BGB (diss. Mainz), Konstanz: Hartung-Gorre Verlag 2000, p. 197,198.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 71.
Zie voor overeenkomstige conclusies voor het Nederlandse erfrecht, hoofdstuk 10, § 5.
Georg Crezelius, Unternehmenserbrecht, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung 1998, p. 65.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 86.
Zie bijvoorbeeld, met verwijzing naar andere schrijvers, Esch, Baumann, Schulze zur Wiesche, Handbuch der Vermögensnachfolge, Berlin: Erich Schmidt Verlag GmbH & Co 2001, p. 100, 101, en, voor de verwijzing naar ‘andersdenkenden’, Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag C.H. Beck 2001, p. 903.
Zie, met verwijzing naar ‘medestanders’, Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag C.H. Beck 2001, p. 903, en Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 87.
In Nederland is het mijns inziens niet anders. Zie hoofdstuk 9, § 4. Het Duitse (personen)-vennootschapsrecht, en dus ook de (on)toelaatbaarheid van bepaalde voortzettingsregelingen, laat ik verder onbesproken.
Lange/Kuchinke, Erbrecht, München: Verlag C.H. Beck 2001, p. 903
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 88, 89. De gelijkenis met het Nederlandse quasi-erfrecht en de relatie tot de legitiemeregeling dringt zich hier op. Binnen het bestek van deze proeve ga ik verder niet in op mogelijke Pflichtteilsergänzungsansprüche, al dan niet vergelijkend met het Nederlandse quasi-erfrecht.
Ik abstraheer van het onderscheid tussen Geschäftsanteilen (GmbH) en Aktien (AG). Ook laat ik het Duitse (kapitaal)vennootschapsrecht als zodanig buiten beschouwing.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 102. Riedel lijkt voor ‘wirklich krassen Einzelfallen’ een correctie op grond van § 242 BGB mogelijk te achten, maar vereist daarvoor de theoretische omstandigheden dat vooraf het overlijdensmoment van de erflater bekend is en de verkrijgers bovendien de macht hebben om de beurskoers daadwerkelijk aanzienlijk te beïnvloeden. Klingelhoffer ziet geen ruimte voor de toepassing van § 242 BGB in de waardering voor de legitiemeregeling. Hans Klingelhöffer, Pflichtteilsrecht, München: Verlag C.H. Beck 2003, p. 85. Verder wijst Riedel op het belang van de pakketgrootte van beursaandelen voor de waardering. Indien en voor zover van ‘Streubesitz’ van aandelen sprake is, kan voor de waardering bij de beurskoersen worden aangesloten. Op het moment dat van een ‘Maßgeblicher Beteiligung’ kan worden gesproken, acht hij dit minder juist. Onder omstandigheden, indien de ‘wahre Wert’ in een wanverhouding tot de beurskoers staat, dient men volgens Riedel terug te vallen op de waardering van aandelen als afgeleide van de door het lichaam gedreven onderneming. Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 103.
Georg Crezelius, Unternehmenserbrecht, München: C.H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung 1998, p. 65; Esch, Baumann, Schulze zur Wiesche, Handbuch der Vermögensnachfolge, Berlin: Erich Schmidt Verlag GmbH & Co 2001, p. 102; Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 98.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 98, 99.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 99.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 111 e.v. Ook Mayer schrijft dat de waardering van aandelen volgens de indirectemethode dient plaats te vinden. Eerst dient de ‘quotale Unternehmenswert’ te worden bepaald, waarna een verdere concretisering van de waarde dient plaats te vinden met inachtneming van ‘den unterschiedlichen Herrschaftsrechten (Stimmrechte usw.), nach Veräußerungsbeschränkungen, Beteiligung an Gewinn oder Liquidationserlösen und den gesellschaftlichen vereinbarten Abfindungsklauseln’. Jörg Mayer, Wertermittlung des Pflichtteilsanspruchs: Vom gemeinen, inneren und anderen Werten, ZEV 6/1994.
Christopher Riedel, Die Bewertung von Gesellschaftsanteilen im Pflichtteilsrecht (diss. Potsdam), Angelbachtal: zerb verlag GmbH 2006, p. 115.
De regeling voor het Pflichtteil is te vinden in de 5e afdeling van Boek 5 van het BGB (§ 2303 -§ 2338), en komt in grote lijnen op het volgende neer:
Tot de kring van de legitimarissen behoren de afstammelingen, de echtgenoot en de ouders van een erflater (§ 2303 BGB).1 De aanspraak op het Pflichtteil ontstaat bij overlijden, kan vererven en is overdraagbaar (§ 2317 BGB). Men kan slechts als legitimaris opkomen, indien men door de erflater van de wettelijke erfopvolging is uitgesloten. Bij verwerping verliest men als hoofdregel de aanspraak op het Pflichtteil (uitzonderingen daarop zijn onder andere te vinden in § 1371 en § 2306 BGB).
Zonder nadere voorzieningen zou het voor een erflater betrekkelijk eenvoudig zijn om een legitimaris ‘kalt’ te stellen, bijvoorbeeld door de legitimaris voor een kleiner erfdeel dan volgens het wettelijk erfrecht in de erfopvolging te betrekken, of het erfdeel van de legitimaris te belasten met een executele of met legaten. In drie in de §§ 2305 e.v., 2315 e.v. en 2325 e.v. BGB opgenomen regelingen krijgt de positie van een legitimaris echter nadere invulling.2
I. Vervollständigungsansprüche (§§ 2305 e.v. BGB):
In de §§ 2305 e.v. BGB worden aan een legitimaris aanspraken verschaft waarmee hij zijn verkrijging tot het niveau van het Pflichtteil kan aanvullen, te weten:
Pflichtteilsrestanspruch (§ 2305 BGB): met deze aanspraak kan een legitimaris wiens erfdeel door de erflater is ‘gekort’, zijn verkrijging – met een geldvordering – aanvullen tot de omvang van het Pflichtteil.
Beschränkungen und Beschwerungen (§ 2306 BGB): op grond van deze bepaling zijn – afhankelijk van de grootte van het erfdeel van de legitimaris – ‘beperkingen en bezwaringen’ van rechtswege ‘nicht angeordnet’ dan wel kan de legitimaris zijn verkrijging straffeloos verwerpen en aanspraak op het ‘volle’ Pflichtteil in geld maken; hij wisselt zijn erfrechtelijke verkrijging dan als het ware in een Pflichtteil om.3
§ 2306 Abs. 1S. 1 BGB: indien het erfdeel van de legitimaris kleiner dan wel even groot is als de helft van diens erfdeel volgens het wettelijk erfrecht, vervallen alle ten laste daarvan komende beperkingen (bijvoorbeeld executele, een Teilungsanordnung (§ 2048 BGB), legaten, lasten) van rechtswege. Daarnaast komt hem mogelijk een Pflichtteilsrestanspruch in geld (§ 2305 BGB) toe.
§ 2306 Abs. 1S.2 BGB: is het erfdeel van de legitimaris groter dan de helft van diens erfdeel volgens het wettelijk erfrecht, maar is het ‘beschrankt oder beschwert’ dan komt aan hem een keuze toe. Of hij aanvaardt de desbetreffende verkrijging mét alle daarop drukkende lasten, óf hij verwerpt en maakt zijn Pflichtteil geldend. De verwerping dient in beginsel plaats te vinden binnen zes weken nadat de legitimaris van zijn erfgenaamschap kennis heeft gekregen (§ 1944 BGB).
Vermächtnis (§ 2307 BGB): indien de legitimaris door de erflater met een legaat is bedacht, heeft hij eveneens een keuze: hij kan het legaat aanvaarden, en zo nodig tot het bedrag van het Pflichtteil aanvullen,4 of het legaat verwerpen en het volle Pflichtteil in geld incasseren.5
II. Anrechnungs- und Ausgleichungsbestimmungen (§§ 2315 e.v. BGB)
Anrechnung (§ 2315 BGB): indien de legitimaris tijdens leven door de erflater wordt bevoordeeld, wordt de waarde daarvan op zijn Pflichtteil toegerekend, doch uitsluitend indien de erflater dat bij die bevoordeling door middel van een Anrechnungserklärung bepaald.
Ausgleichung (§ 2316 BGB): de erflater kan bepalen dat in de onderlinge verhouding tussen de afstammelingen de door hen van hem tijdens leven ontvangen bevoordelingen voor de berekening van het Pflichtteil moeten worden ‘ingebracht’ en derhalve worden verrekend.6
III. Pflichtteilsergänzungsanspruch wegen Schenkungen (§§ 2325 e.v. BGB)
Op grond van de §§ 2325 e.v. BGB kan – onder omstandigheden – de waarde van door erflater in de laatste tien jaren van zijn leven gedane schenkingen voor de berekening van het Pflichtteil in aanmerking worden genomen. Op deze wijze wordt de erflater in zijn mogelijkheden beperkt om diens nalatenschap door vermogensoverheveling tijdens leven ten titel van schenking te verkleinen en daardoor de omvang van het Pflichtteil te reduceren.
Met het vorenstaande is in kort bestek een schets gegeven van de ‘techniek’ van de Duitse Pflichtteil-regeling. Het Pflichtteil is als – aanvullende – geldvordering overigens opeisbaar vanaf het moment van overlijden. Voorts wordt aan de legitimaris nog een recht op informatie en op waardering van erflaters goederen verstrekt (§ 2314 BGB).7
Waar het voor de impact van het Pflichtteil als economische ‘Störungsfactor, afgezien van onder meer de onmiddellijke opeisbaarheid, vanzelfsprekend op aan komt, is de grootte daarvan.
§ 2303 Abs. 1S.2 BGB bepaalt daarover:
‘Der Pflichtteil besteht in der Halfte des Wertes des gesetzlichen Erbteils.’
Bepaling van de omvang van het Pflichtteil
De omvang van het Pflichtteil wordt derhalve bepaald door de grootte van het erfdeel volgens het wettelijk erfrecht, dat weer wordt bepaald door het aantal ab intestaaterfgenamen en de omvang van de nalatenschap. Het Pflichtteil bedraagt de helft van de waarde van het wettelijk erfdeel. Ter bepaling van het erfrechtelijke breukdeel, de Erbquote, ‘tellen’ alle ab intestaaterfgenamen mee, ook als zij onterfd (§ 1938 BGB) of onwaardig (§ 2339 e.v. BGB) zijn, dan wel verworpen hebben.8
Vervolgens dient de waarde van de nalatenschap te worden vastgesteld, die vermenigvuldigd met de Erbquote, het erfdeel oplevert, waarvan helft dus de omvang van het Pflichtteil weergeeft.
De §§ 2311 tot en met 2313 BGB geven aan op welke wijze de waarde van de nalatenschap ter berekening van het Pflichtteil dient te worden vastgesteld.
Dat geschiedt volgens Riedel logischerwijs in twee stappen:
Vastgesteld dient te worden welke goederen en schulden tot erflaters nalatenschap behoren.
De hiervoor onder 1 bedoelde goederen en schulden dienen te worden gewaardeerd, waarbij het verschil tussen de waarde van de activa en van de passiva, de netto-waarde van erflaters nalatenschap geeft.9
Ad 1:
Voor het antwoord op de vraag uit welke, te waarderen goederen en schulden erflaters nalatenschap bestaat, wordt aangesloten bij § 1922 Abs. 1 BGB, dat luidt als volgt:
‘Mit dem Tode einer Person (Erbfall)geht deren Vermögen (Erbschaft) als Ganzes auf eine oder mehrere andere Personen (Erben) auf.’
Hierin herkent men de ook in Nederland toegepaste Gesamtnachfolge, oftewel Universalsukzession. Uitzonderingen daarop zijn in Duitsland te vinden in het Landwirtschaftsrecht, waarop ik in paragraaf 3 nog terug kom.
Voor wat betreft voorwaardelijke en onzekere rechten en plichten kent § 2313 BGB een bijzondere waarderingsregeling, die er in hoofdlijn op neerkomt dat men met opschortende voorwaarden geen rekening houdt, terwijl ontbindende voorwaarden buiten beschouwing blijven, maar bij het intreden daarvan tot een verrekening kunnen leiden.10
Ad 2:
Het doel van de waardering van de nalatenschap is – naar algemeen wordt aangenomen – ‘den “vollen, wirklichen Wert” zu ermitteln’.11 De waarde dient te worden vastgesteld per het overlijdensmoment (§ 2311 Abs. 1 BGB). Een door de erflater getroffen waarderingsregeling is niet bindend (§ 2311 Abs. 2 BGB), tenzij het een ‘Landgut’ betreft als bedoeld in § 2312 BGB, waarop ik in paragraaf 3 nog terug kom.12
De goederen en schulden van de nalatenschap worden in beginsel afzonderlijk gewaardeerd, tenzij een ‘eenheidsbenadering’ geboden is vanwege de bijzondere band tussen bepaalde goederen en/of schulden, zoals bij een onderneming als – naar Nederlandse terminologie – een algemeenheid van goederen en schulden.13
Het toekennen van een waarde aan bijvoorbeeld contant geld, aan opeisbare vorderingen ten laste van solvabele debiteuren en aan een beurs genoteerde effecten, zal doorgaans weinig tot geen problemen opleveren. Dat geldt in beginsel wel voor alle overige goederen waarvan de waarde door schatting moet worden vastgesteld. Worden deze goederen binnen een jaar na overlijden vervreemd, dan mag onder omstandigheden worden aangenomen dat de vervreemdingsprijs van het desbetreffende goed overeenkomt met de wirkliche Wert per het overlijdensmoment.14
De wirkliche Wert dient derhalve als uitgangspunt voor de Pflichtteil-berekening, men spreekt ook over de ‘gemeine Wert’.15 In het al gemeen is deze gemeine Wert gelijk aan de (verkoop)waarde in het economische verkeer. Voor goederen waarvoor een markt beschikbaar is, is deze waarde gelijk aan de prijs die men bij verkoop van het betreffende vermogensbestanddeel kan toucheren. Is voor het betreffende goed geen markt beschikbaar, is de waarde gelijk aan de prijs die een economisch denkende koper bereid is om te betalen.16 De toepassing van § 242 BGB (Treu und Glauben) wordt bij de waardering in het kader van de legitiemeregeling ter bepaling van de omvang van het Pflichtteil als zodanig in de doctrine afgewezen.17
Volgens Riedel betekent de vaststelling van de wirkliche Wert voor de berekening van het Pflichtteil dat de meest objectieve waarde van de nalatenschap dient te worden bepaald, geabstraheerd van subjectieve overwegingen, feiten en omstandigheden van en bij de erfgenamen.18 Hij voert daarvoor de ‘ideale Erbe’ ten tonele.19 Deze ideale Erbe is een zuiver economisch handelende persoon. Voor de waardering zijn de daadwerkelijke ‘Verwendungsabsichten’ na overlijden van de feitelijke erfgenaam of erfgenamen dan ook irrelevant.20 Daarmee is volgens Riedel nog niet de vraag beantwoord of en in hoeverre men bij de waardering voor het Pflichtteil rekening dient te houden met een geobjectiveerde, te veronderstellen aanwending van de nalatenschap. Hij onderscheidt twee invalshoeken. Enerzijds de gedachte dat men voor de waardering dient uit te gaan van de fictie dat de gehele nalatenschap onverwijld na het overlijden ‘verzilverd’ wordt; anderzijds de gedachte dat de ideale Erbe de economisch meest rationele beslissing zal nemen en de nalatenschap dus zal aanwenden op een wijze die leidt tot de hoogst haalbare opbrengst op langere termijn.
Voor de eerste gedachte spreekt volgens Riedel dat het Pflichtteil een aanspraak op geld is. Bovendien wordt in de jurisprudentie als waarderingsmaatstaf geregeld de verkoopwaarde aangetroffen, en constateert hij voor bijvoorbeeld effecten dat de koers per overlijden in aanmerking wordt genomen, hetgeen ook duidt op een veronderstelde verkoop daarvan.21 Ook kan in de onmiddellijke opeisbaarheid van het Pflichtteil volgens hem een ondersteuning voor deze gedachte worden gevonden. Voor de middelen die beschikbaar zijn om het Pflichtteil te betalen, gaat Riedel eveneens van een ideale Erbe uit. Het daadwerkelijk aan een erfgenaam ter beschikking staande vermogen, waaruit het Pflichtteil zou kunnen worden voldaan, is irrelevant; Riedel veronderstelt dat de ideale Erbe – afgezien van de nalatenschap – geen vermogen heeft ten laste waarvan de betaling van het Pflichtteil kan geschieden.22 Gegeven dit uitgangspunt, zal de ideale Erbe als gevolg van de onmiddellijke opeisbaarheid van het Pflichtteil in veel gevallen nalatenschapsgoederen moeten verkopen om over liquide middelen te kunnen beschikken.
De hiervoor bedoelde tweede gedachte sluit volgens Riedel echter beter aan bij de algemeen aanvaarde voorstelling van het Pflichtteil, waarbij de gerechtigde economisch in een toestand dient te worden gebracht, waarin hij zou hebben verkeerd als hij voor zijn legitimaire breukdeel erfgenaam was geworden. Voorts blijkt uit jurisprudentie dat in de gevallen waarin voor de waardering geen verkoopprijs op een ‘vrije markt’ kan worden bepaald, men het begrip verkoopwaarde inruilt voor de ‘innere Wert’, waarbij ruimte lijkt te bestaan voor enige invloed van concrete in de markt en de erfgenamen ‘gelegen’ feiten en omstandigheden.
Riedel concludeert uiteindelijk dat voor de waardering in het kader van de legitiemeregeling de volgende premissen moeten worden gehanteerd:23
de waarde van individuele vermogensbestanddelen hangt af van de na het overlijden bestaande ‘aanwendingsmogelijkheden’, het mogelijke gebruik daarvan;
dit mogelijke gebruik dient objectief te worden bepaald;
de daadwerkelijke bestemming door de erfgenamen is niet relevant; het gaat om een ‘nach kaufmannischen Grundsätzen durchzuführende Wirtschaftlichkeitsanalyse des idealen Erben’;
daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de voldoening van de nalatenschapsschulden, de legitimaire aanspraken daaronder begrepen, geheel ten laste van de nalatenschap mogelijk moet zijn; indien het ‘contant maken’ van nalatenschapsbestanddelen daarvoor noodzakelijk is, dient men van de vervreemding van díe bestanddelen uit te gaan, die economisch het beste resultaat opleveren;
in geval van een noodzakelijke vervreemding van nalatenschapsbestanddelen ter voldoening van de nalatenschapsschulden, verdient het de voorkeur om – in plaats van een schatting – aan te sluiten bij de daadwerkelijke verkoopprijs indien deze binnen een korte tijdspanne na het overlijden wordt gerealiseerd;
als objectiefbezien de economische realiteit tot het behoud en het voortgezette gebruik van een nalatenschapsbestanddeel leidt, dient daarmee bij de waardering rekening te worden gehouden, waarbij men vanuit een rendementsoogpunt de waarde zal vaststellen.24 De ‘werkelijke’ waarde bij vervreemding van het bestanddeel ‘kan’ dan immers niet worden gerealiseerd.
De fictie van de ideale Erbe strekt zich overigens niet uit over de rechtsverhouding tussen de erfgenamen en de legitimarissen als ‘ideale erfgenamen’.
Deze verhouding dient volgens Riedel streng te worden onderscheiden van de rechtsverhouding tussen deelgenoten in een goederengemeenschap, bijvoorbeeld een personenvennootschap. Zo spelen bij de waardering in het kader van de verdeling van een dergelijk vermogen veelal ‘sittliche, moralische Komponente’ mee, die tot gevolg kunnen hebben dat de waarde van dat vermogen, of een bestanddeel daarvan, niet kan of mag worden gesteld op de waarde in het economische verkeer. De verhouding tussen deelgenoten wordt, anders dan tussen de erfgenamen (schuldenaren)en legitimarissen (schuldeisers), ‘von gegenseitigen Treue- und Wohlhaltenspflichten geprägt’, hetgeen de rechtsverhouding dwingendrechtelijke mede bepaald.25
Riedel concludeert als volgt:
‘Derartige Einschränkungen durfen im Rahmen pflichtteilsrechtlicher Fragestellungen aber keine Rolle spielen. Entscheidend ist hier allein der Wert, der am Markt realisiert werden kann.’26
Voor de inhoud en een definitie van het begrip gemeine Wert wordt overigens, voor zover het om het vaststellen van de meest objectieve waarde gaat, door het Bundesgerichtshof wel aangesloten bij § 9 Abs. 2 BewG, dat luidt als volgt:
‘Der gemeine Wert wird durch den Preis bestimmt, der im gewöhnlichen Geschäftsverkehr nach der Beschaffenheit des Wirtschaftsgutes bei einer Veräußerung zu erzielen wäre. Dabei sind alle Umstande, die den Preis beeinflussen, zu berücksichtigen. Ungewöhnliche oder persönliche Verhältnisse sind nicht zu berücksichtigen.’27
De waardering van een onderneming
Zoals uit het voorgaande blijkt, worstelt men in Duitsland – evenals in Nederland28 – met de waardering, waarderingsbegrippen en -maatstaven.
Op het moment dat de waardering van een onderneming aan de orde komt, bereikt de worsteling zijn climax, zo lijkt het wel, getuige de volgende citaten:
‘Wie dieser (Wert des Unternehmens; toevoeging WB) zu ermitteln ist, ist im Einzelfall schwierig, weil haufig bereits die anzuwendende Bewertungsmethode kontrovers ist, zum anderen sind bestimmte Fragen noch nicht geklärt, (...)’29
en:
‘Da das Gesetz keine Vorschriften darüber enthalt, nach welcher Methode die Bewertung im einzelnen vorzunehmen ist, bereitet der Praxis die Bewertung von Unternehmen und Unternehmensbeteiligungen besondere Schwierigkeiten.’30
en ten slotte:
‘Bei Unternehmerischem Vermögen im Nachlaß ist die Wertbestimmung nach § 2311 BGB ein klassisches Problem des Pflichtteilsrechts.’31
Binnen het bestek van deze proeve is het onmogelijk om een integraal onderzoek te verrichten naar de waarde in het Duitse erfrecht, in het bijzonder de Pflichtteil-regeling, van een onderneming, aandelen in personen- en kapitaalvennootschappen daaronder begrepen. Ik volsta derhalve met enkele signaleringen, waarbij ik een onderscheid zal maken tussen de waardering van de ‘eenmanszaak’, het aandeel in een personen- en in een kapitaalvennootschap. Voor een ‘Landgut’ is een bijzonder waarderingsregime beschikbaar, waarop ik in paragraaf 3 zal ingaan.
Eenmanszaak
Naar algemeen wordt aangenomen, kan de boekwaarde van een eenmansonderneming voor de Pflichtteilswaardering niet worden gebruikt. Het dient te gaan om de ‘wahre Wert’, waarbij onder meer stille reserves in acht moeten worden genomen.32 Een eventuele daadwerkelijk gerealiseerde vervreemdingsprijs van erflaters onderneming kan slechts dan voor de waardering in aanmerking worden genomen, indien de onderneming als zodanig in ongewijzigde vorm binnen afzienbare tijd (men treft de termijn van eenjaarna het overlijden wel aan) wordt vervreemd. Is daarvan geen sprake, dan wordt uit de jurisprudentie afgeleid dat men zich voor de waardering van een onderneming in het algemeen richt op een combinatie van de Substanzwert (intrinsieke waarde) en de Ertragswert (rentabiliteitswaarde), of op de liquidatiewaarde.33 Daarbij kan worden onderscheiden naar het geval dat de onderneming wel of niet wordt voortgezet, hetgeen – zo blijkt uit het vorenstaande – zuiver objectief moet worden beoordeeld. In het eerste geval treedt de Ertragswert dan wel de Substanzwert, al dan niet in een combinatie met de Ertragswert, op de voorgrond, in het tweede geval de liquidatiewaarde.34
Onder omstandigheden kan de aanwezigheid van goodwill niettemin tot een waardering op basis van de Substanz leiden. Riedel schrijft daarover het volgende:
‘Auch die intrennbare Bindung des Goodwill an die Person des Unternehmers, die der BGH z.B. bei Handelsvertretern grundsätzlich annimt, fuhrt zu einer Begrenzung des Unternehmenswerts auf die Substanz. Begrundet wird dies damit, dass der Goodwill nicht auf einen Nachfolger/Erwerber übertragen werden konne. Eine Ausnahme sei nur anzunehmen, wenn die Handelsvertretung so aufgebaut und eingerichtet sei, dass die Kaufmannschaft auch ohne Rücksicht auf die Person des Inhabers ein Interesse daran habe, diese Agentur zu beauftragen oder wenn der Betrieb so eingerichtet sei, dass die Kunden sich gerade im Hinblick auf diese Einrichtung für diese Agentur entschieden.’35
We herkennen hier het onderscheid tussen wel en niet realiseerbare goodwill, oftewel zakelijke en persoonlijke goodwill, waarbij voor de waardering in het erfrecht de persoonlijke goodwill buiten beschouwing dient te worden gelaten.36
Personenvennootschap
Aandelen in personenvennootschappen dienen evenals de eenmansonderneming voor hun ‘wahren inneren Wert’ in aanmerking te worden genomen indien de onderneming als gevolg van voortzettingsregelingen wordt gecontinueerd.37 Omdat dergelijke regelingen, waaraan de erfgenamen gebonden zijn, de voortzetting van erflaters onderneming tot gevolg hebben, mag daarvan voor de waardering worden uitgegaan, zodat een waardering op basis van de Ertragswert geboden kan zijn.38 De rechthebbende op het Pflichtteil krijgt derhalve hetzelfde als hetgeen de erfgenaam ontvangt.
De spanning met de legitiemeregeling neemt echter toe indien de vennootschappelijke voortzettingsregelingen tot gevolg hebben dat niet wordt afgerekend op de wahre innere Wert, maar bijvoorbeeld op de boekwaarde, afrekening wellicht geheel achterwege blijft of de betaling van de overeengekomen vergoeding over een lange periode gespreid wordt. Het gaat dan niet zozeer om de vraag of de Pflichtteils-gerechtigde als zodanig aan een dergelijke regeling gebonden is, quod non, maar of daarmee voor de berekening van het Pflichtteil rekening moet worden gehouden. Is hij daaraan als fictieve ideale Erbe wellicht wel gebonden?
Er zijn schrijvers die menen dat ongeacht de inhoud van de voortzettingsregelingen voor de Pflichtteil-berekening, met enige nuanceringen, van de Vollwert uitgegaan dient te worden.39 Het merendeel van de schrijvers lijkt echter van een ander standpunt uit te gaan.40 Zij gaan ervan uit dat indien en voor zover een ‘Abfindungsbeschrankung’ of een ‘vollstandiger Abfindungsausschluss’ vennootschappelijk toelaatbaar is, daarmee voor de berekening van het Pflichtteil rekening moet worden gehouden.41
In Lange/Kuchinke wordt het mijns inziens treffend als volgt verwoord:
‘Abfindungsregelungen bestimmen neben anderen wertbestimmenden Faktoren den Wert der Beteiligung als solcher. Der Pflichtteilsberechtigde kann aber nicht (cursivering, WB) über diesen Wert hinaus am Vermögen der Gesellschaft beteiligt werden.’42
De conclusie dat men voor de legitiemewaardering rekening dient te houden met eventuele, bedoelde Beschränkungen en Ausschlüsse, laat volgens Riedel echter onverlet dat dergelijke voortzettingsregelingen tot een Pflichtteil-sergänzungsanspruch (§§ 2325 e.v. BGB, zie hiervoor) aanleiding zouden kunnen geven. Daarvoor dient in de desbetreffende overeenkomst wel een schenking te zijn gelegen. Mocht op laatstbedoelde aanspraak met succes een beroep kunnen worden gedaan, dan komt – vanzelfsprekend – opnieuw de waardering in beeld.43
Kapitaalvennootschap44
Indien koers- of beurswaarden per overlijdensdatum voor de te waarderen aandelen beschikbaar zijn, zal daarbij voor de waardering worden aangesloten.45 In alle andere gevallen dient met inachtneming van het feit dat – een belang in – een onderneming in de waardering betrokken is, de ‘gemeine Wert’ te worden bepaald.46 In die zin wijkt de waardering van aandelen niet af van die van een onderneming, en evenmin van de ‘algemene’ waarderingsuitgangspunten (zie hiervoor).
Voor de waardering van aandelen kan evenwel een ‘dimensie’ aan het vorenstaande worden toegevoegd, hetgeen Riedel als volgt uitdrukt:
‘Im Hinblick auf die Vielvalt der gesellschaftlich zulässigen Moglichkeiten, bestimmte Anteile mit besonderen Rechten auszustatten oder andererseits mit über das gesetzliche vorgesehene Maß hinausgehenden Verplichtungen oder Beschränkungen zu belasten, ist aber oftmals eine differenzierte Betrachtung erforderlich. Dabei ist insbesondere festzustellen, wie unterschiedliche Eigenschaften der Beteiligungen den jeweiligen Anteilswert beeinflussen.’47
Riedel signaleert voor de waardering van aandelen twee methoden, te weten de indirecte methode waarbij de waarde van aandelen van de waarde van de door het lichaam gedreven onderneming wordt afgeleid, en de directe methode waarbij de aandelen als zodanig worden gewaardeerd.48 Hij concludeert dat voor niet ter beurze genoteerde aandelen zowel in de jurisprudentie als in de literatuur, de indirecte methode als meest geschikte wordt aangemerkt. De waarde van de aandelen is derhalve een afgeleide van de waarde van de onderneming, maar daarmee geen evenredig deel van de waarde van die onderneming. De vennootschappelijke inrichting van statuten bepaalt mede de waarde van de aandelen. Zo kan de waarde van aandelen positief of negatief worden beïnvloed door ‘Disquotale Stimm- und Herrschaftsrechte’ en/of door ‘Veräußerungsbeschränkungen’.49
Riedel concludeert:
‘Im Extremfall kann dies dazu führen, dass der Anteil lediglich mit seinem Klauselwert anzusetzen ist.’50