Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.6:7.2.6 De afdwingbaarheid van het recht een zaak te laten rusten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.6
7.2.6 De afdwingbaarheid van het recht een zaak te laten rusten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946137:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het verlengde van de voorgaande paragrafen ligt de vraag hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin in weerwil van de wens van de klachtgerechtigde toch opsporing of vervolging plaatsheeft. Op dit moment vindt sanctionering van die gang van zaken plaats in het strafproces tegen de verdachte, waarbij het ontbreken van een klacht leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is daarmee de verdachte die in de strafprocedure profijt kan trekken uit het ontbreken van de klacht. Het belang van de getroffen klachtgerechtigde wordt met deze strafprocessuele afhandeling echter niet adequaat beschermd. Het strafproces (alsmede daaraan voorafgaande opsporing) heeft reeds tot ruchtbaarheid voor het strafbare feit kunnen leiden en de familieverhoudingen kunnen op scherp zijn gezet. Met het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte wordt dus onvoldoende tegemoetgekomen aan het recht van de klachtgerechtigde om strafrechtelijke rechtshandhaving in al haar facetten buiten de deur te houden.
In hoofdstuk 4 is in dit verband vastgesteld dat sprake is van een discrepantie tussen het gedragsaspect en het geldingsaspect van de norm, omdat deze beide aspecten zijn verdeeld over twee verschillende rechtsbetrekkingen. 1Het handelen van het openbaar ministerie wordt afhankelijk gemaakt van instemming van de klachtgerechtigde, maar bij het ontbreken van die instemming vindt de sanctionering plaats binnen de rechtsbetrekking tussen de verdachte en het openbaar ministerie. De klachtgerechtigde heeft zelf geen juridische mogelijkheid om daartegen in het geweer te komen. Schalken stelt – mijns inziens – echter terecht dat het rechtssubject aan wie rechten worden toebedeeld daarop actief een beroep moet kunnen doen. 2Ten behoeve van het herstel van een lacune in rechtsbescherming is het dan ook aangewezen om te voorzien in een aparte rechtsingang voor de klachtgerechtigde waarin hij de rechter kan verzoeken om te bevelen dat opsporings- en vervolgingsactiviteiten worden gestaakt voor zover deze zien op een klachtdelict dat hem is aangedaan.
Eerder in dit onderzoek besprak ik twee argumenten op basis waarvan de noodzaak van een dergelijke rechtsingang kan worden betwist.3 Bij beide argumenten staat centraal dat een dergelijke procedure van weinig toegevoegde waarde zou zijn. Ten eerste omdat bij gebrek aan een klacht de vervolging van de verdachte zal stranden. Hiervoor is echter uiteengezet dat met die procedurele uitkomst onvoldoende recht wordt gedaan aan het belang van het klachtgerechtigde slachtoffer. Met de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verdwijnt de ruchtbaarheid voor de feiten waartoe een vervolging reeds heeft geleid immers niet. Om aan het belang van de klachtgerechtigde tegemoet te komen dient die strafprocedure – alsmede daaraan voorafgaande opsporing – juist (in een zo vroeg mogelijk stadium) voorkomen te kunnen worden.
Ten tweede kan worden gesteld dat het openbaar ministerie zelden tot vervolging zal overgaan bij het ontbreken van een (rechtsgeldige) klacht. Ook dit kan bijdragen aan de gedachte dat het creëren van een rechtsingang voor de klachtgerechtigde overbodig is. Het is echter principieel onjuist om rechtsbescherming volledig te ontzeggen omdat de verwachting is dat die bescherming niet vaak hoeft te worden geboden. Deze zienswijze strookt ook niet met de vaststellingen in hoofdstuk 6 dat de rechten van het slachtoffer in de Nederlandse strafrechtspleging een steeds centralere rol spelen en dat het slachtoffer steeds meer gelegenheid wordt geboden om zijn rechten te gelde te maken. In dit licht is het opvallend dat juist een klachtgerechtigde – een bijzonder soort slachtoffer wiens belangen doorslaggevend worden geacht voor de onmogelijkheid tot opsporing en vervolging – zelf geen mogelijkheid heeft om zijn positie te behartigen indien opsporing en vervolging plaatsheeft terwijl hij daarop geen prijs stelt. Het is dan ook aangewezen om de klachtgerechtigde de gelegenheid te bieden om in een vroeg stadium van opsporing en vervolging – waarin nog nauwelijks ruchtbaarheid aan het klachtdelict is gegeven – te voorkomen dat politie en justitie verdergaande activiteiten ontplooien.
Dan resteert de vraag op welke wijze aan de klachtgerechtigde de hiervoor bedoelde gelegenheid moet worden geboden. Ik stel voor om een rechtsingang te creëren die als spiegelbeeld fungeert van de procedure ex art. 12 Sv. Via die procedure kunnen belanghebbenden thans opsporing en vervolging verzoeken indien het openbaar ministerie daartoe niet reeds uit eigen beweging overgaat. Bij de vormgeving van de te creëren procedure dient oog te bestaan voor het doel van de rechtsingang en de rechtsbescherming die deze moet bieden. Dit betekent ten eerste dat de procedure – anders dan art. 12 Sv voorschrijft – niet open moet staan voor alle personen die een belang hebben bij de vervolging van het strafbare feit maar slechts voor de personen die klachtgerechtigd zijn. De procedure strekt er immers uitsluitend toe dat zij hun bij wet voorgeschreven recht om opsporing en vervolging te voorkomen kunnen afdwingen. De positie van de klachtgerechtigde verschilt daarmee wezenlijk van die van andere personen die de vervolging van een strafbaar feit onwenselijk kunnen vinden.
Het is niet (mede) de opportuniteit van de vervolging die in de nieuwe rechtsgang ter discussie staat. De rechter moet na een beklag van een klachtgerechtigde slechts beoordelen of sprake is van opsporing en vervolging die (uitsluitend) betrekking heeft op een klachtdelict dat de betrokkene is aangedaan en waaromtrent een klacht ontbreekt. In dat geval moet verdere opsporing en vervolging worden gestaakt. Daarbij is het aangewezen dat de behandeling van het beklag van de klachtgerechtigde – overeenkomstig de procedure ex art. 12 Sv – plaatsheeft in raadkamer, zodat de zitting op grond van art. 22 lid 1 Sv in beginsel een besloten karakter kent. De beslissing op het verzoekschrift krijgt daarmee de vorm van een beschikking, die op grond van art. 24 lid 1 Sv in beginsel evenmin in het openbaar wordt uitgesproken. Dit dient het belang van de klachtgerechtigde dat niet (nog) meer ruchtbaarheid ontstaat voor het feit dat hem is aangedaan.