Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.4.5
II.4.5 Rechtsgevolg
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178827:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Gierke 1887, p. 693: ‘[D]ie Abstimmung des Mitgliedes bringt nicht nur dessen Willensentschluss zum Ausdruck, sondern übt zugleich einen Zwang auf die Herbeiführung eines Beschlusses aus; der fertige Beschluss tritt nicht nur als Bekundung des einheitlichen Willensentschlusses einer Gesamtheit, sondern gleichseitig als Gebot oder Verbot an andere Organe auf (…).’ Zie Bohn 1950, p. 70-71.
Zie § 4.2 hierboven en de daar vermelde vindplaatsen. Anders: Winnefeld 1972, p. 1055, die formeel negatieve en interne beslissingen wel als besluiten ziet, maar niet als rechshandelingen.
Zie vooral Zöllner 2000, p. 825 en KK-AktG/Tröger 2017, § 133 AktG Rn. 30.
Vgl. Van der Heijden 1936, p. 154 (met nuances).
Ik zou dus menen dat ook voorbereidende, negatieve en interne beslissingen wilsuitingen zijn van de rechtspersoon en derhalve als diens besluiten gelden. Dit laat de vraag open of elk besluit een rechtshandeling is. Als elk besluit bindt, heeft elk besluit dan ook noodzakelijkerwijs rechtsgevolg? Met andere woorden: zit er tussen besluit en rechtshandeling toch nog licht? In de meeste gevallen zal deze vraag er niet toe doen. Doorgaans heeft een besluit rechtsgevolg omdat daaraan op zich een substantieel gevolg kleeft. Dat bijvoorbeeld een benoemingsbesluit rechtsgevolg heeft – een persoon wordt bestuurder – valt zonder een ingewikkelde redenering over de Bindungswirkung ook wel aan te nemen.
Maar daarbuiten, waar het rechtsgevolg wat minder voor zich spreekt, geldt hetzelfde. Ook voorbereidende, materieel negatieve en interne besluiten hebben doorgaans een rechtsgevolg, nog los van wat uit hun rechtskracht voortvloeit. Een voorbereidende beslissing ten eerste komt niet zelden aan een rechtsplicht tot besluitvorming tegemoet, waarin mijns inziens reeds een rechtsgevolg besloten ligt. Illustratief is het geval waarin de statuten de goedkeuring voorschrijven van de raad van commissarissen voorafgaande aan het sluiten van bepaalde overeenkomsten (zoals in voorbeeld 1 hierboven). Die goedkeuringseis vergt niet slechts een bestuursbesluit, maar vraagt tevens een besluit van de raad van commissarissen. Beide vervullen de plicht die krachtens de statuten geldt – ze hebben daarom beide rechtsgevolg. Niets anders lijkt voor de onverplichte voorbereidende beslissing op te gaan. Als bijvoorbeeld het bestuur besluit dat een machine wordt gekocht, dan heeft dat besluit – zoals het in Duitsland heet – Befehlswirkung jegens de bestuurders die tot vertegenwoordiging bevoegd zijn.1 Zij moeten het tot hun bestuurstaak rekenen de aankoop van de machine te bewerkstelligen. Reeds dat is een rechtsgevolg.
In dezelfde lijn hebben materieel negatieve beslissingen in de regel een rechtsgevolg. Ze zullen voor een ander dan het besluitvormende orgaan meestal een rechtsplicht inhouden om iets niet te doen, bijvoorbeeld om geen machine aan te kopen, om geen arbeidsovereenkomst af te sluiten met de niet-benoemde bestuurder, om niet te verkopen aan de durfinvesteerder. Dat het materieel negatieve besluit voor derden – als hoofdregel – irrelevant is gezien het Richtlijnstelsel, maakt dit niet anders. Een dergelijk besluit laat de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur intact, maar verandert de interne bestuursbevoegdheid. Iets soortgelijks kan over interne besluiten worden gezegd, die toch dikwijls heel concrete, zelfs vermogensrechtelijke gevolgen kunnen hebben. Zo kan de vaststelling van de jaarrekening behelzen dat een bestuurder recht heeft op de uitkering een bonus. Zelfs wie het Duitse denken over Bindungswirkung niet vermag te volgen, moet derhalve erkennen dat besluiten dikwijls een rechtsgevolg hebben. Wie zoekt naar een rechtsgevolg, zal het vaak vinden.
Toch is het zinvol om de Duitse redenering voor het Nederlandse recht door te denken. Het zou bepaald overzichtelijk zijn als elk besluit bindt, daarom rechtsgevolg heeft en derhalve als rechtshandeling aan te merken valt. Niet verassend zit het leeuwendeel van de Duitse literatuur en rechtspraak op deze lijn.2 Naar nagenoeg algemene opvatting bestaat het rechtsgevolg van elk besluit eruit dat een verbindende wilsuiting, afgegeven door een orgaan, door toerekening komt te gelden als de wilsuiting van de rechtspersoon.3 De Bindungswirkung die een besluit inherent aankleeft, maakt dat een ‘juridische truc’ wordt uitgevoerd. Reeds de toerekening als besluit aan de rechtspersoon is een rechtsgevolg.4 Uit de verzameling van stemmen wordt een meerderheid getoverd, en die in meerderheid gegeven beslissing wordt vervolgens als besluit aan de rechtspersoon toegerekend.