Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.3.1
8.3.1 Tuchtrecht als onderdeel van de beheerste en integere bedrijfsvoering
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268524:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 29 708, nr. 10, p. 240.
Art. 3:10, eerste lid, aanhef en a-d Wft, Kamerstukken II, 29 708, nr. 10, p. 240 e.v. en Stb. 2006/519, p. 75.
Kamerstukken II, 29 708, nr. 10: p. 243 en Stb. 2006/519, p.75.
Zie ook Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 10, p. 6. Ook de bepalingen omtrent de bankierseed kunnen worden beschouwd als een nadere uitwerking van de verplichting tot het voeren van een beheerste en integere bedrijfsvoering, zie Kamerstukken II, 2013/2014, 33 918, nr. 3, p. 7. De elementen uit de bankierseed sluiten aan bij bestaande normen, zie Regeling Bankierseed, p. 8 en 9 en Kamerstukken II 2011/12, 33 236, nr. 6, p. 13.
R.J. Schotsman, ‘Wordt de bankierseed wel op juiste wijze getoetst?’, TvCo 2019, afl. 2, p. 133.
Banken zijn verplicht tot het voeren van een beheerste en integere bedrijfsvoering (art. 3:10 en 3:17 Wft, nader uitgewerkt in het Besluit prudentiële regels Wft (“Bpr Wft”). De regelgeving verplicht banken onder meer om een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt. Dit beleid zal moeten voorzien in de bewustwording, de bevordering en de handhaving van integer handelen binnen alle lagen van de financiële onderneming.1 Het beleid dient onder meer gericht te zijn op het tegengaan van belangenverstrengeling, het tegengaan dat wegens haar cliënten het vertrouwen in de bank of in de financiële sector kan worden geschaad, en het tegengaan dat door de bank of haar werknemers wetsovertredingen worden gepleegd of dat wordt gehandeld in strijd met een maatschappelijke norm waardoor het vertrouwen in de bank of de financiële markten (ernstig) kan worden geschaad.2 Banken dienen hun bedrijfsvoering overeenkomstig dit beleid in te richten en er op toe te zien dat de interne regelgeving in de praktijk ook daadwerkelijk wordt nageleefd.3 Achtergrond van de regelgeving is gelegen in de overweging dat het vertrouwen van de consument in de financiële onderneming mede van een beheerste en integere bedrijfsvoering afhankelijk is.4
De tuchtrechtelijke regeling als bedoeld in art. 3:17c, eerste lid, Wft dient te zien op de naleving van de regels omtrent de beheerste en integere bedrijfsvoering zoals deze bij of krachtens art. 3:10 en 3:17 Wft worden gesteld, en de daaruit voortvloeiende integriteits- en zorgvuldigheidsnormen voor natuurlijke personen. Met andere woorden, het toetsingskader in het tuchtrecht wordt door deze regels en integriteits- en zorgvuldigheidsnormen gevormd. De tuchtrechtelijke normen zijn daarmee, op zichzelf, niet nieuw; het tuchtrecht kan worden beschouwd als een nadere uitwerking van de op de bank reeds rustende verplichting tot het voeren van een beheerste en integere bedrijfsvoering.5
De Gedragsregels van de NVB zijn zodanig ruim geformuleerd dat zij mijns inziens inderdaad vrij eenvoudig kunnen worden gekoppeld aan de uit art. 3:10 en 3:17 Wft voortvloeiende integriteits- en zorgvuldigheidsnormen. Zo luidt Gedragsregel 1: “de bankmedewerker werkt integer en zorgvuldig”.
In het tuchtrecht hebben de regels voor het centraal stellen van de belangen van de klant een prominente positie. Anders dan Schotsman zou ik echter menen dat de Gedragsregels weliswaar voor een belangrijk deel, maar niet uitsluitend liggen op het vlak van de zorgplichten neergelegd in Deel 4 van de Wft.6 Naleving van deze zorgplichten, zoals de zorgvuldige behandeling van klanten en het centraal stellen van de belangen van de klant, kan mijns inziens worden beschouwd als een van de integriteits- en zorgvuldigheidsnormen voortvloeiend uit het te voeren integriteitsbeleid (in het bijzonder art. 3:10, aanhef en onder b Wft).