Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.4.4.4:2.4.4.4 Uitspraken
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.4.4.4
2.4.4.4 Uitspraken
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS486989:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 43 EVRM. Een recent voorbeeld is EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267.
Zie art. 46, lid 2 EVRM. Zie nader Feteris 2002(a), p. 72 en Gerards e.a. 2013 (II). commentaar op art. 46.
Zie nader Gerards e.a. 2013 (II), commentaar op art. 46, aant. C.1.1 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kamer
Kamers beslissen met meerderheid van stemmen. Elke rechter die zich over de zaak heeft gebogen is gerechtigd om bij de beslissing een eigen, afzonderlijke mening (‘opinion’) te publiceren (instemmend of afwijzend) dan wel een enkele verklaring van afwijzing.
Grote Kamer
Binnen drie maanden nadat de Kamer uitspraak heeft gedaan, mag elk van de partijen verzoeken om de zaak door te verwijzen naar de Grote Kamer, wanneer die zaak serieuze vragen oproept over de uitleg en toepassing van het Verdrag of een serieuze kwestie van algemeen belang.1 Dergelijke verzoeken worden beoordeeld door een zogenoemde panel van vijf rechters in de Grote Kamer, waaronder de president van het Hof. Een uitspraak van de Kamer wordt onherroepelijk na verloop van de driemaandsperiode zonder verzoek om doorverwijzing naar de Grote Kamer (of eerder wanneer partijen aangeven dat zij niet de intentie hebben om daarom te verzoeken), dan wel nadat het panel een verzoek om doorverwijzing heeft afgewezen. Wanneer het panel het verzoek aanvaardt, dan doet de Grote Kamer (nogmaals) uitspraak in de zaak. Deze uitspraak geldt als einduitspraak. Hierover kan niet bij andere (rechterlijke) instanties worden geklaagd.
Naleving uitspraken
Alle onherroepelijke uitspraken van het Hof zijn bindend ten aanzien van de verdragsstaat die partij was in de klachtprocedure. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa is verantwoordelijk voor (het toezicht op) de naleving van uitspraken. Het Comité gaat na of de verdragsstaat ten aanzien van wie een verdragsschending is vastgesteld, adequate maatregelen heeft genomen om de specifieke of algemene verplichtingen die uit de uitspraak van het Hof voortvloeien, na te komen.2
De verplichting tot tenuitvoerlegging kan worden onderverdeeld in drie inhoudelijke verplichtingen. De betrokken staat is verplicht om de schending te beëindigen, het slachtoffer rechtsherstel te bieden en toekomstige schendingen te voorkomen.3