Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.5.3
3.4.5.3 Europees Handvest en Hof van Justitie
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460890:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Gvea 17 mei 2013, T-154/09, r.o. 347-351 en de daarin aangehaalde rechtspraak (MRI). Zie ook Gvea 3 maart 2011, T-117/07 en T-121/07, r.o. 235 en 298 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie (Areva).
HvJ 26 februari 2013, C-617/10, r.o. 24 e.v. (Åkerberg Fransson).
HvJ 12 juli 2001, C-262/99, r.o. 67 (Louloudakis).
HvJ 20 juni 2013, C-259/12 (Rodopi).
HvJ 26 april 2017, C-564/15 (Farkas). Zie ook HvJ 17 juli 2014, C-272/13 (Equoland) en de in de overwegingen 32 tot en met 46 aangehaalde eerdere rechtspraak van het hof.
Gvea 5 april 2006, T-279/02, r.o. 255 e.v. (Degussa).
HvJ 22 november 2012, C-89/11 P, r.o. 126 (E.ON Energie). De boete was opgelegd voor het verbreken van een zegel op een deur die toegang gaf tot een ruimte met te onderzoeken documenten.
Het evenredigheidsbeginsel bij bestraffing is expliciet vastgelegd in het derde lid van artikel 49 (zie hiervoor onderdeel 3.4.4.5). Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg houdt dit in dat ‘geldboeten niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel […] en dat het bedrag van de geldboete […] evenredig moet zijn aan de inbreuk, in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte ervan’.1 Aangenomen mag worden dat het evenredigheidsbeginsel van het derde lid van artikel 49 Handvest eveneens van toepassing is op het Nederlandse fiscale bestuurlijke boeterecht, althans voor zover dergelijke boeten zien op naleving van bepalingen van unierechtelijke aard,2 of wanneer de boeten indruisen tegen de verdragsrechtelijke vrijheden.3
Het Hof van Justitie laat zich over het algemeen niet uit over de hoogte van een boete in een specifiek geval. Dit laat het hof over aan de nationale rechter. In de casus Rodopi heeft het hof echter wel aanvullend een soort buitengrens geformuleerd met betrekking tot de hoogte van een boete in verhouding tot de met die boete na te streven doeleinden:
“Het staat aan de nationale rechter om […] te beoordelen of het bedrag van de opgelegde geldboete, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, met name de termijn waarin de onregelmatigheid is rechtgezet, de ernst van deze onregelmatigheid en eventueel aan de belastingplichtige toerekenbare fraude of omzeiling van de toepasselijke wetgeving, niet verder gaat dan nodig is tot waarborging van de juiste inning van de belasting en voorkoming van fraude.”4
Hoewel het hof de beoordeling inzake de (on)evenredigheid van de boete in een concreet geval dus aan de nationale rechter overlaat, kan het er wel toe overgaan om de nationale rechter een duidelijke boodschap mee te geven. Zo ‘leek’ het hof een boete van 50% in een omzetbelastingcasus (Farkas) onevenredig, omdat de betrokken belastingdienst geen inkomsten was misgelopen en er geen sprake was van belastingfraude.5
Slechts een enkele keer heeft de Europese rechter zich uitgelaten over de hoogte van een boete in relatie tot een met die boete na te streven doel. In de zaak Degussa was onder meer de verhoging van de boete op grond van een voldoende afschrikkende werking in het geding. Uit de overwegingen van het Gerecht van eerste aanleg in deze casus kan de conclusie worden getrokken dat i.c. de afschrikkende werking met name in de sleutel van het draagkrachtbeginsel wordt geplaatst. Met andere woorden, de boete moet op een zodanig hoog bedrag worden vastgesteld, dat de betrokkene het ook daadwerkelijk – in zijn portefeuille – voelt. 6
Overigens zal het Hof van Justitie niet snel een boete onevenredig achten. Zo vond het hof een boete van 38 miljoen euro in een bepaald geval en gegeven de omstandigheden niet onevenredig, waarbij het mede overwoog dat het daartoe pas zal overgaan wanneer de boete “zodanig overdreven [is] dat de geldboete onevenredig is”.7