Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.B.1.1
VII.B.1.1 Niet iedere verkrijging krachtens erfrecht levert een successierechtelijk'voordeel'op
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS410497:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Men voelt weer de spanning van de twee verschillende sferen.Wie erft hoeft niet te werken is immers niet voor niets een volkswijsheid: 'Erben statt arbeiten'.
CHRISTIAN KIRNBERGER, Die Steuerliche Behandlung derTestamentsvollstreckung-vergutung (diss. Passau) 1998, p. 179.
J.P. SPRENGER VAN EYK/B.J. DE LEEUW, De Wetgeving op het recht van Successie, van Overgang en van Schenking, 7
En die 'toevoeging' moet in beginsel ook door erflater beoogd zijn, zijhet dat het antwoord op deze rechtsvraag 'geobjectiveerd'gegeven moet worden. Zie hiervoor de in het civielrechtelijke gedeelte bij de behandeling van het loon van de executeur gegeven bewijsregel, waarmee hieraan invulling kan worden gegeven.
Zeer interessant is de vraag naar de fiscale aard van de beloning van de exe-cuteur.1 De beloning heeft immers twee gezichten: aan de ene kant is het een erfrechtelijke verkrijging (Successiewet 1956), al dan niet met een bevoordelingskarakter, en aan de andere kant een vergoeding voor 'arbeid' oftewel voor erfrechtelijke werkzaamheden (Wet IB 2001). De vraag komt meteen op of, als er door de verschillende dimensies van de beloning meerdere heffingen mogelijk zijn, er ook eventuele fiscale tegemoetkomingen zijn. Mooier dan Kirnberger2kan ik het in ieder geval niet zeggen:
'Uber das konkreteThema hinaus bedarf insbesondere der Bereich des Zusam-menspiels von Erbschaft- und Schenkung- auf der einen sowie der Einkommen-steuer auf der anderen Seite einer grundsatzlichen Klarung, weil hier noch vie-le Zwei/elsfragen offen sind, insbesondere Fragen der Konkurrenz und der Ver-meidung oder der Rechtfertigung einer etwaigen Mehr/achbelastung.' (Curs.
BS)
Bij het analyseren van de fiscale status van de beloning, oftewel het vraagstuk onbelaste vriendendienst of fiscaal 'verdiende loon', is kennisneming van de civielrechtelijke aardvan de beloning van de executeur van groot belang. Zie Hfdst.V.C. De rode draad was of een beloning materieel gezien kon worden als een 'vergoedingslegaat'of als een 'vrijgevigheidslegaat' dan wel een combinatie van beiden. Bij het vergoeden van arbeid komt in beginsel de gedachte aan de inkomstenbelasting op en bij vrijgevigheid denkt men in beginsel aan successierecht. Sprenger Van Eyk gaf het spanningsveld van 'erven' of 'zakelijk belonen' reeds in 1930 haarscherp aan:3
'De belasting wordt geheven naar de werkelijkheid, niet naar woorden,en kan dus in geen enkel opzicht van een naam afhankelijk zijn.'
En hoe gaat met in de (successierechtelijke) praktijk hier dan mee om:
'Of er liberaliteit is of niet, moet in de eerste plaats beoordeeld worden door den aangever; hij moet zich daaromtrent verklaren in de aangifte, door van de toekenning als van een legaat melding te maken als er liberaliteit is. Is die er niet, dan kan hij de toekenning geheel onvermeld laten.' (Curs. BS)
Het feit dat er bij de verkrijging van een beloning als executeur op grond van art. 4:144 lid2 BW sprake is van een civielrechtelijke verkrijging krachtens er/recht, wil overigens nog niet zonder meer zeggen dat er successierecht verschuldigd is. De verkrijging dient immers 'waarde' voor de verkrijger te hebben en een executeur dient in beginsel voor de verkregen beloning nog een taak te vervullen, oftewel arbeid te verrichten. Denk bijvoorbeeldaan de voor zich sprekende term 'vergoedingslegaat.' De Hoge Raad omschreef deze suc-cessierechtelijke gedachte, dat niet iedere erfrechtelijke verkrijging een voordeel oplevert, in zijn arrest van HR 16 september 1992, BNB 1992/384 als volgt, zij het in een setting van een'economische eigendomsoverdracht':
'Door een erflater verkochte doch ten tijde van zijn overlijden nog niet geleverde zaken maken deel uit van zijn nalatenschap. Hiervan maakt ook deel uit de verplichting tot levering van die zaken. Die verplichting behoort tot de voor de heffing van het recht van successie aftrekbare schulden. Dit is niet anders in een geval als het onderhavige, waarin de verplichting tot levering van de onroerende zaken teniet is gegaan uitsluitend omdat de schuldeiser van die verplichting de enig erfgenaam is geworden van de erflater-schuldenaar. Ook in een zodanig geval dient de waarde van de verplichting tot levering aangemerkt te worden als een voor de heffing van het recht van successie aftrekbare schuld. Aldus wordt recht gedaan aan het feit dat de verkrijgingkrachtens er/recht van de onroerende zaken ook in een geval als het onderhavige geen waarde toevoegt aan het vermogen van de erfgenaam en wordt voorkomen dat in strijd met het uitgangspunt van de Successiewet 1956 recht van successie zou worden geheven over meer dan de waarde van de verkrijging.' (Curs. BS)
Deze gedachte van de Hoge Raad is mijns inziens met enige goede wil te transponeren naar de successierechtelijke behandeling van de beloning van de executeur. Er is geen sprake van een voordeel omdat er tegenover de verkrijging krachtens erfrecht een dienst staat met in beginsel dezelfde waarde. Nog anders gezegd: de verkrijging moet waarde toevoegen aan het vermogen van de executeur.4