Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.5.7
2.4.5.7 De Vierde Tranche Awb geeft de bestuurlijke boete in 2009 vaste grond
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270162:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Awb heeft een vaste plaats verworven in het belastingrecht. Daar zag het aanvankelijk niet naar uit. Begin jaren 90 werd in fiscale kringen met verve de stelling verdedigd dat verreweg de beste oplossing was het belastingrecht uit te zonderen voor de toepassing van de Awb. Happé 2017 p.1. Dat is slechts op sommige punten gebeurd, door de regels uit de AWR te laten prevaleren boven de voor het algemeen bestuursrecht geldende regels uit de Awb. Volgens Happé zijn er wel verschillende aansluitingsverschillen tussen de Awb en de AWR, die zich als specialis tot de Awb verhoudt. Happé 2017 p. 3 en 4.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 17.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 19.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 19.
Mein 2015.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 22.
De introductie van de bestuurlijke boete als instrument heeft uiteindelijk pas in 2009 een plaats in de vierde tranche van de Awb gekregen.1 Hieraan was sterke behoefte, omdat het aantal bestuurlijke boetewetten was gegroeid, waardoor de kans op verschillen groter werd.2 De Awb bevat in hoofdstuk 5 (titel 5.1 en 5.4) een complete regeling inzake de bestuurlijke boete, die ook voor het belastingrecht geldt.
De bestuurlijke boete heeft al met al een niet te missen ontwikkeling doorgemaakt. In het Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018 valt te lezen dat Bestuurlijke boetes ten eerste gemakkelijker kunnen worden ingezet. Inmiddels zijn er ruim 100 wetten waarin een boetebevoegdheid is toegekend aan een bestuursorgaan en dit aantal blijft toenemen. In ruim 50 van deze wetten is sprake van normen die zowel in het strafrecht als in het bestuursrecht van een sanctie zijn voorzien (duale handhaving). Elk van deze ordeningswetten kent een eigen handhavingsstelsel en handhavingsbeleid, dat is afgestemd op de bijzondere kenmerken van het desbetreffende terrein en is ingebed in de eigen geschiedenis en traditie van dat terrein.3 De populariteit van de bestuurlijke boete kan verklaard worden vanuit economisch perspectief (geld voor het bestuursorgaan) en door het feit dat het bestuursorgaan voor het punitief optreden niet meer afhankelijk is van het vervolgings- en sepotbeleid van het OM (handhavingstekort). Ook speelt een rol dat een dergelijke boete een lik-op-stuk-karakter kent, omdat in het bestuursrecht geen schorsende werking geldt, waardoor de overtreder redelijk snel voelt dat hij fout zat.4
Ten tweede, zo blijkt ook uit het Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, is op sommige terreinen ook de handhaving van ernstige overtredingen onder de werkingssfeer van de bestuurlijke boete gebracht vanuit de gedachte van effectiviteit en de daarbij passende onderscheidende criteria van open en besloten context.5 Hier wordt als verklaring door het kabinet genoemd het feit dat hoge boetes nodig zijn om afschrikwekkend te werken. Daarbij komt dat veel bestuursrechtelijke voorschriften rechtspersonen als geadresseerde hebben, en die hebben vaak een grotere draagkracht dan natuurlijk personen (en bovendien alleen maar via een financiële sanctie te bestraffen).6