De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.3.4:6.3.4 De woon- en vestigingsplaats in het VW EU in vergelijking met de omzetbelasting
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.3.4
6.3.4 De woon- en vestigingsplaats in het VW EU in vergelijking met de omzetbelasting
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS397630:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 4 juli 1985, zaak 168/84, Jur. 1985, blz. 2251 (Berkholz).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het VW EU kunnen een aantal aanwijzingen met betrekking tot de invulling van de woon- en vestigingsplaats in de omzetbelasting worden ontleend. Allereerst zij opgemerkt dat het begrip vestiging geldt voor zowel het oprichten van een primaire als secundaire vestiging. In het VW EU worden de primaire en secundaire vestiging derhalve niet verschillend ingevuld. Het begrip vestiging omvat allereerst het element dat sprake moet zijn van het verrichten van een daadwerkelijke economische activiteit. Uit de eis dat het moet gaan om werkzaamheden die tegen vergoeding worden verricht, die Weber hanteert in zijn definitie en die ook door het Hof van Justitie wordt genoemd, zou kunnen worden afgeleid dat een vestiging van een ondernemer die alleen hulp- of voorbereidende werkzaamheden verricht en geen prestaties tegen vergoeding aan derden verricht niet als vestiging in de zin van het recht van vestiging wordt beschouwd. Ook het feit dat het recht van vesting niet ziet op werkzaamheden van geringe omvang die bijkomstige en marginale activiteiten vormen doet deze vraag rijzen. Het als vestiging aanmerken van inrichtingen die hulp- of voorbereidende werkzaamheden verrichten past mijns inziens over het algemeen binnen de doelstellingen van het VW EU als de ondernemer in dat land uiteindelijk goederen wil leveren of diensten verrichten of voornemens is zich daar te vestigen. Een inrichting kan bijvoorbeeld alvast onderzoek doen en/of reclame maken of een magazijn aanhouden om uiteindelijk goederen te leveren. Indien het doen van onderzoek of het voeren van reclame zou worden belemmerd, wordt daarmee tevens, bijvoorbeeld het verrichten van diensten, belemmerd.
De eis dat sprake moet zijn van een duurzame vestiging brengt met zich dat sprake moet zijn van een zekere infrastructuur, de aanwezigheid van personeel en middelen. Ook in de btw wordt deze eis gesteld.1 Een eenvoudig bureau beheert door een zelfstandig persoon die gemachtigd is duurzaam voor de onderneming op te treden kan als duurzame vestiging worden beschouwd. Het doet denken aan de vaste vertegenwoordiger, zoals we die in de directe belastingen kennen en die hierna zal worden besproken. Dat sprake moet zijn van een duurzame vestiging in een andere lidstaat betekent dat er een band moet zijn met het grondgebied van die lidstaat. Of sprake moet zijn van een band met een specifiek geografisch punt is daarmee niet gezegd. Een infrastructuur die wordt opgezet en waarvan tevoren vast staat dat de activiteiten van deze infrastructuur na drie jaren worden beëindigd, lijkt niet te voldoen aan de eis van ‘onbepaalde tijd’. De periode gedurende welke deze vestiging economische activiteiten verricht staat immers vast. De vraag rijst of in de omzetbelasting de vestiging ook in beginsel voor onbepaalde tijd moet zijn opgezet of dat reeds sprake is van een zetel van bedrijfsuitoefening of vaste inrichting indien vanuit een inrichting gedurende een bepaalde periode activiteiten worden verricht ook al staat tevoren vast dat deze na een bepaalde periode worden beëindigd. De door het Hof van Justitie in de zaak Gebhard genoemde criteria om te bepalen of al dan niet sprake is van een tijdelijke activiteit: de duur van de dienst, de frequentie, periodiciteit of continuïteit, kunnen mogelijk voor de invulling van de vestigingsplaatsbegrippen in de btw worden gehanteerd. Als bijvoorbeeld gedurende een kortere periode veel diensten worden verricht, kan bijvoorbeeld de vraag worden gesteld of aan het duurzaamheidscriterium van het begrip vaste inrichting is voldaan. Als minder diensten worden verricht, is het dan bijvoorbeeld weer meer van belang dat deze gedurende een wat langere periode worden verricht?