Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.1.1
VI.1.1 Art. 2:14-2:16 BW. Geslaagde wetgevingsproducten?
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178750:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Schilfgaarde 1977, p. 482, Dumoulin 1999, p. 1, Handboek (Van der Grinten) 1992/224 resp. Timmerman 1991, p. 66.
Huizink 2003, p. 174 resp. Coebergh 1956/57, p. 21.
Verdam 1940, p. 83.
Zie Dumoulin 1999, p. 47 e.v. en Klein Wassink 2012 over de roerige wetsgeschiedenis.
Parl. Gesch. Inv. Boek 2 BW, p. 1091 (VV II Inv). Let wel, de commissie verwijst naar het invoeringsontwerp, dat ingewikkelder in elkaar steekt dan de tekst die tot art. 2:14-16 BW is geworden.
Zo ook Timmerman 2019, p. 589. Vgl. het Duitse recht, dat zich volgens de overwegende opvatting aldaar ‘in keinem guten Zustand’ bevindt. Alleen voor de AG is er een uitgewerkte regeling voor besluiten van de algemene vergadering, die afgezet tegen art. 2:14-16 BW ingewikkeld en formalistisch is. Zie Koch 2018, p. 9 e.v.
Klein Wassink 2012, p. 87, Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17, p. 334, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/302 slot en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/94. Of de rechter steeds ambtshalve moet toetsen – zoals deze schrijvers veronderstellen – valt m.i. te betwijfelen. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad moet hij dat slechts als de geschonden norm van openbare orde is, dat wil zeggen ‘strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast.’ Zie HR 1 juni 2018, JOR 2018/215, m.nt. Vos (Rabobank/X), rov. 3.6 alsook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/100 en Den Hollander 2018, met verwijzingen. Tegen de heersende opvatting: Asser/Sieburgh 6-III 2018/607. Dat Boek 2 BW van dwingend recht is (art. 2:25 BW) en tot nietigheid voert (art. 2:14 lid 1 BW), volstaat dus niet. Wel zou ik voor de meeste bepalingen van Boek 2 BW en de statuten willen aannemen dat ze fundamentele belangen beschermen en dus van openbare orde zijn, maar niet voor alle. Fundamenteel is zeker de bevoegdheidsverdeling; niet-fundamenteel zouden kunnen zijn de nietigheden van art. 2:14 lid 2 BW (zie § 2 hierna). Vgl. HR 28 januari 2011, NJ 2011/167, m.nt. Van Schilfgaarde (Staalbankiers/Elko), rov. 3.8, waarin de Hoge Raad overweegt dat de aansprakelijkheid van art. 2:180 lid 2 BW niet van openbare orde is.
Zie hierna § 2.
Zie Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/304 en Van Schilfgaarde/Schoonboord, Winter & Wezeman 2017/95 onder 4.
Zie de hieraan gewijde hoofdstukken hierna (§ VII resp. § VIII).
Over de ongeldigheid van besluiten is iedereen het eens. Het leerstuk is schier ondoorgrondelijk. Niet de minsten vinden het gebrekkige besluit dogmatisch niet eenvoudig, lastig, gecompliceerd of zelfs bijzonder moeilijk.1 Sommigen spreken van zware kost, die van ouds berucht is.2 Verdam schrijft dat vele vragen en vele moeilijkheden rijzen, als gevolg van de ‘combinatie van de ingewikkelde structuur van het besluit met het even zeer gecompliceerd begrip der nietigheid’.3 En ook de wetgever heeft met de materie nogal geworsteld.4 Over een voorganger van art. 2:15 BW merkte de Kamercommissie van Justitie op dat het ‘uitsluitend toegankelijk [is] voor de wat betere jurist die bovendien nog bereid is de Kamerstukken op te diepen en hiervan uitvoerig studie te maken’. De Kamerleden vroegen zich af of ‘deze uiterst ingewikkelde regeling, waarmee de praktijk veelvuldig zal moeten werken, de burger niet eerder in valkuilen lokt dan dat zij hem helpt bij het oplossen van geschillen.’5
De materie is ingewikkeld, maar toch moet de wettelijke regeling tot tevredenheid stemmen. Of de burger ermee uit de voeten kan, weet ik niet, maar de artikelen 2:14-2:16 BW zijn tamelijk beknopt en in de kern goed te volgen.6 Ze geven een kernachtige regeling van een onderwerp dat inderdaad complex is. Art. 2:14 lid 1 BW verklaart een besluit nietig, wanneer het in strijd is met de wet of de statuten. De nietigheid werkt van rechtswege, maar de rechter kan haar desgevorderd vaststellen. Hij moet haar ook ambtshalve constateren, buiten het partijdebat om.7 Art. 2:15 lid 1 BW bepaalt dat een besluit vernietigbaar is, wanneer het in strijd is met een totstandkomingsvoorschrift, de redelijkheid en billijkheid of een reglement. De vernietiging vergt de tussenkomst van de rechter op vordering van de rechtspersoon of een belanghebbende; zij heeft terugwerkende kracht. Art. 2:16 lid 1 BW ten slotte voorziet erin dat de rechterlijke uitspraak die een besluit nietig acht of vernietigt, tegenover eenieder werkt.
Het systeem zit goed in elkaar, maar kent enkele notoire moeilijkheden. Zo is de grens tussen nietigheid en vernietigbaarheid op sommige plekken troebel, met name bij de gevallen van art. 2:14 lid 2 BW8 en de (fundamentele) totstandkomingsgebreken.9 En ook de vernietiging op gronden buiten Boek 2 BW is stof voor (academische) discussie.10 Verder verdient nadere overdenking of de rechter besluiten moet kunnen vaststellen en of een arbiter moet kunnen vernietigen.11 Maar toch, in hoofdlijnen voldoet de wet.