Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/5.2.1
5.2.1 De al dan niet bevroren rechtsverhouding
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687282:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
A. van Leeuwen, ‘Eenzijdige wijzigingsmogelijkheden jegens gepensioneerden onder de PSW en de PW: van onbeschermd naar beschermd?’, ArA 2014/3.
M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 92-93; E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 466; E. Lutjens, ‘Wijziging pensioenregeling’, P&P 1996/9, p. 10; E. Schop, Wijziging van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder pensioen, Deventer: Kluwer 2007, p. 124, wijst in dit kader op strijd met artikel 6:248 BW.
Hof Arnhem 26 juni 2007, PJ 2008/36 (Kema/ex-werknemer). Vergelijk ook HvJ EG 17 mei 1990, NJ 1992/436 (Barber/Guardian Royal Exchange Assurance Group), waar het hof in het kader van gelijke behandeling van mannen en vrouwen stelt dat de rechtszekerheid zich ertegen verzet ‘dat rechtssituaties waarvan alle gevolgen in het verleden zijn uitgewerkt’ met terugwerkende kracht worden gewijzigd omdat daarmee het financiële evenwicht zou worden verstoord.
E. Lutjens, ‘Pensioenvoorziening bij CAO’, SR 2004/53; J.M. van Slooten, ‘De “uitgewerkte rechtsverhouding”: geen argument, maar soms een conclusie’, ArbeidsRecht 2013/6.
Doorgaans wordt hier gewezen op Hof Amsterdam 26 mei 2009, PJ 2009/130 (ex-werknemers/Vakcentrum Food Consult). Jaren later, na ECN, werd daarop teruggekomen in Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6771 (ex-werknemers/Vakcentrum c.s.), r.o. 2.11. Een voorbeeld van een wat oudere uitspraak is Ktr. Rotterdam 5 maart 1995, PJ 1995/30, m.nt. R. ten Wolde (Bruynje/Pensioenfonds Koninklijke Volker Stevin c.s.), welke oordeelt dat als het deelnemerschap eindigt, ‘fixatie’ plaatsvindt, waardoor aanspraken niet meer kunnen worden gewijzigd; Rb. Almelo 28 juni 2011, PJ 2011/115 (ex-werknemer/Aveco De Bondt).
H.P. Breuker e.a. ‘De juridische aspecten van het wijzigen van de pensioenregeling’, TPV 1999/4; H.P. Breuker, ‘Wijziging van de pensioenregeling’, P&P 2005/7/8; H.P. Breuker, ‘Geen wijziging opgebouwd pensioen en onvoorwaardelijke aanspraken’, TPV 2013/6, die hier betoogt dat de uitgewerkte rechtsverhouding niets anders is dan dat opgebouwd pensioen niet kan worden aangetast (het huidige artikel 20 Pw); T. Dimmendaal e.a., ‘Wijziging van een pensioenregeling’, in: De Nieuwe pensioenwet, Voorbeschouwingen, Amersfoort: Sdu 2004, p. 97-98 en p. 109; A. Pasztor, ‘Wijziging van de pensioenregeling; deel 1: de formele aspecten’, ArbeidsRecht 2006/9; A. Pasztor, ‘Wijziging van een pensioenregeling; deel 2: de materiële aspecten’, ArbeidsRecht 2006/14; N.M. Opdam, ‘Indexatieprocedures, een (on-)haalbare zaak?’, in: De positie van gepensioneerden, Amersfoort: Sdu 2006, p. 56, stelt dat er in principe een uitgewerkte rechtssituatie is; E. Schop, Wijziging van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder pensioen, Deventer: Kluwer 2007, p. 128, stelt dat er een uitgewerkte rechtsverhouding is als de uitvoerder een verzekeraar betreft; A.G. van Marwijk Kooy, ‘AkzoNobel: CDC, garantie en gepensioneerden’, P&P 2008/7/8. Het SER-advies van oktober 1985, Advies interimmaatregel pensioenbreuk, nummer 1985/22, p. 24, en het Concept-rapport van de STAR van november 1981 inzake pensioenbreuk bij wisseling van dienstbetrekking spraken overigens over ‘bevroren aanspraken’, maar dat zag op het ontbreken van indexatie. Wel oordeelde de SER (p. 65) dat het achteraf bij wet inbreuk maken op een niet meer bestaande overeenkomst alleen in uitzonderlijke situaties dient plaats te vinden.
M. Heemskerk e.a., ‘Wijzigingsvraagstukken in de pensioendriehoek’, TPV 2012/42.
Aldus annotator Lutjens bij HR 6 september 2013, JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk, JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy, PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker, TRA 2013/103, m.nt. J.J.M. de Laat, NJ 2014/67, m.nt. E. Lutjens (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG).
Onder meer H.V.R. Lepoutre en R.M.J.M. de Greef, ‘Pensioen’, in: A.R. Houweling, P.G. Vestering en W.A. Zondag (red.), Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Deel II, Den Haag: Sdu 2019, p. 3559; B. Cobanoglu e.a., ‘Wijziging van toeslagen’, in: Vereniging van Pensioenjuristen, Wijziging van de pensioenregeling, Vorden: Vereniging van Pensioenjuristen 2014, p. 291.
J.M. van Slooten, ‘De “uitgewerkte rechtsverhouding”: geen argument, maar soms een conclusie’, ArbeidsRecht 2013/6. Zo overwogen door Hof Amsterdam 20 oktober 2009, JAR 2009/282 (Neerincx/Rabobank), r.o. 4.5.4.
Hof Arnhem 27 mei 2008, PJ 2008/67 (Vereniging van gepensioneerden van Akzo Nobel c.s./Akzo Nobel Nederland c.s.), r.o. 4.20; Hof Amsterdam 20 oktober 2009, JAR 2009/283 (Sneller/Delta Lloyd), r.o. 4.6.4: ‘Dit zou anders kunnen zijn indien uit de regeling zou kunnen worden afgeleid dat de eenmaal geldende faciliteit (…) ongewijzigd zal blijven gelden (“is bevroren”)’; Rb. Deventer 8 maart 2007, JAR 2007/99 (ex-werknemer/Rentré Wonen): ‘partijen hebben ondubbelzinnig en zonder voorbehoud een financiële tegemoetkoming voor eiser afgesproken’.
HR 19 november 1993, JAR 1993/274 (DMV Campina/Van Jole). Het kan hier ook gaan om gewekt vertrouwen. Een voorbeeld daarvan is Hof Amsterdam 31 mei 2011, PJ 2011/122, m.nt. H.P. Breuker (Pensioenfonds IBM Nederland/Grey Blue Circle c.s.), waar het hof stelt dat deelnemers geen gerechtigvaardigd vertrouwen konden hebben dat er nooit zou worden gewijzigd, mede gezien hun actieve dienstverband.
HR 6 september 2013, JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk, JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy, PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker, TRA 2013/103, m.nt. J.J.M. de Laat, NJ 2014/67, m.nt. E. Lutjens (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG).
Anders R. van Wijngaarden, ‘Eenzijdige wijziging met betrekking tot vervoersregelingen, onkostenregelingen en pensioen’, in: S. de Laat e.a., Eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst, Den Haag: Bju 2020, p. 247, die meent dat het tegendeel ook betoogd kan worden.
De rechtspraak en literatuur die er zijn over wijzigingen van pensioenregelingen en de inmiddels grotendeels historische perikelen over de ziektekostenpremie, zijn aldus mede toepasbaar op andere postcontractuele arbeidsvoorwaarden. Zo ook: M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 80; T. Huijg, ‘Dwingende cao-doorwerking voormalige werknemers?’, ArbeidsRecht 2016/38.
Zo ook het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 2012, zie Bijlage 2 bij Kamerstukken II 2011/12, 32043, nr. 133, p. 35-36.
Voor alle soorten postcontractuele arbeidsvoorwaarden kan er op enig moment een wens ontstaan om deze te wijzigen. De wereld draait immers door als een arbeidsovereenkomst eindigt. Wijzigingen kunnen negatief of positief zijn, ze kunnen gaan over postcontractuele rechten of postcontractuele plichten. Het scala aan redenen om te willen wijzigen is breed, maar het meest voorkomend zijn financiële overwegingen of gewijzigde wet- en regelgeving, dan wel een combinatie van de twee. Zo was bijvoorbeeld de invoering van de fiscale werkkostenregeling enige jaren geleden voor veel banken reden om de hypotheekkostensuppletie van hun (ex-)werknemers te herzien.
Zijn rechten en plichten van een niet meer bestaande arbeidsrelatie te wijzigen? Als zodanig is de gedachtegang te volgen dat een arbeidsovereenkomst bij het einde daarvan zijn dynamische karakter verliest en statisch wordt. De redenering is dat door het verbreken van de arbeidsrelatie er ofwel helemaal geen rechtsverhouding meer is (en je kunt niet wijzigen wat niet meer bestaat), of dat de rechtsverhouding gefixeerd, uitgewerkt dan wel bevroren is (en om die reden niet kan worden gewijzigd). Alle wederzijdse verbintenissen zijn nagekomen en partijen hebben niets meer van elkaar te vorderen.1 Verkregen rechten en plichten zijn dan over en weer in steen gehouwen bij het einde van het dienstverband en principieel onwijzigbaar. Die onwijzigbaarheid zou zijn gerechtvaardigd omdat, onder meer, aantasting van een niet meer bestaande rechtsverhouding in strijd kan komen met de rechtszekerheid, verworven rechten, dan wel de bescherming van eigendom.2 In de Kema-zaak oordeelde het hof Arnhem bijvoorbeeld dat de rechtszekerheid met zich meebrengt dat gepensioneerden in beginsel niet hoeven te verwachten dat zij hun aanspraken kwijtraken.3 Dit weegt wellicht nog zwaarder als er sprake is van een verzekering waarbij het verzekerde risico (zoals ouderdom of arbeidsongeschiktheid) zich al heeft voltrokken.4
Hoewel het een interessant gedachte-experiment is, dat zelfs een enkele keer navolging kreeg in de rechtspraak,5 zijn het met name auteurs geweest die betoogden dat dit een geldend leerstuk zou zijn.6 Ten onrechte. Er zijn immers na uitdiensttreding nog talloze verbintenissen over en weer. Voor de uitgewerkte rechtsverhouding ontbreekt iedere wettelijke basis.7 Het is een voorstelling genoemd van een niet bestaand wettelijk wijzigingsverbod.8 Noch de Pw, noch het Burgerlijk Wetboek, noch enig algemeen rechtsbeginsel bevat namelijk een dergelijk verbod. Of wijziging nog mogelijk is, is niet meer dan een kwestie van uitleg.9 Die uitleg kan tot de conclusie leiden dat partijen zijn overeengekomen dat de mogelijkheid tot wijziging is uitgesloten,10 maar evenzeer tot het tegendeel. Zoals het hof Arnhem het verwoordde: ‘de vraag of dit mogelijk is, is afhankelijk van hetgeen is overeengekomen’.11 Contractsvrijheid dus. Dat is niet anders dan in de contractuele fase, waar bijvoorbeeld een zonder voorbehoud gedane garantie erin resulteert dat een rechter zeer terughoudend zal toetsen of wijziging nog wel mogelijk is.12
Dat uitleg bepalend is, is door de Hoge Raad expliciet bevestigd in ECN.13 Daarin overwoog de Hoge Raad dat bij pensioenaanspraken het einde van de arbeidsovereenkomst nog niet meebrengt dat de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen als ‘uitgewerkt’ moet worden aangemerkt. In dat geval wordt die rechtsverhouding, zij het met gewijzigde hoedanigheid van de partijen, voortgezet in de pensioenovereenkomst. Niet valt in te zien, aldus de Hoge Raad, waarom de enkele omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zou moeten meebrengen dat de aanspraak op indexatie onaantastbaar zou zijn. Of – en zo ja, in hoeverre – een aanspraak kan worden aangetast, ‘is afhankelijk van de wet en de regels die de uitvoering van de pensioenovereenkomst beheersen alsmede van de inhoud van die overeenkomst’. Deze overwegingen zijn naar mijn mening evenzeer toepasselijk op wijzigingen in de postcontractuele rechtsverhouding van andere aanspraken dan pensioen.14 Ook voor dergelijke andere aanspraken is geen wettelijke grondslag aanwezig die zou maken dat deze onaantastbaar zijn, hooguit kunnen partijen dat zijn overeengekomen. Uiteraard zullen wijzigingen van andere aanspraken conform de spelregels van de arbeidsovereenkomst moeten worden doorgevoerd, die in dit hoofdstuk ook aan de orde komen.15
Het antwoord op de vraag of een postcontractuele arbeidsvoorwaarde kan worden gewijzigd, is doordat het een kwestie is van uitleg zeer casuïstisch.16 Een algemeen antwoord op de vraag of rechten en plichten van een ex-werknemer nog kunnen worden gewijzigd, valt daarom niet te geven.