Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481383:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
En overigens ook van de besloten vennootschap, zie par. 3.3.2.2.2.
De verschillende bepalingen overlappen elkaar naar de letter niet helemaal. Zo bevatten de artt. 2:107a lid 1 en 2:164/274 lid 1 en onder d BW de beperking dat de duurzame samenwerking van ingrijpende betekenis voor ‘de vennootschap’ moet zijn, waar mag worden aangenomen dat art. 25 lid 1 en onder b WOR betrekking heeft op een duurzame samenwerking die van ingrijpende betekenis is voor de onderneming (Vgl. OK 10 september 1981, NJ 1982, 29 en OK 5 april 1984, NJ 1985, 515). Meer concreet is denkbaar dat een samenwerking ingrijpend is voor de vennootschap, maar niet voor de onderneming (bijvoorbeeld omdat die niet of nauwelijks door de duurzame samenwerking wordt geraakt), of juist omgekeerd, dat een samenwerking ingrijpend is voor de onderneming, maar niet voor de vennootschap (bijvoorbeeld indien de vennootschap meerdere ondernemingen in stand houdt).
Dit besluit wordt met zoveel woorden genoemd in art. 2:154/264 lid 1 en onder i BW. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het besluit ook onder het bereik van art. 2:107a lid 1 BW valt (Kamerstukken I 2003-2004, 28 179, B, p. 9). Dat de ondernemingsraad met betrekking tot dit besluit de gelegenheid geboden dient te worden een advies uit te brengen, heb ik enige jaren geleden verdedigd (Van Mierlo 2008, met name p. 46-51).
Indien het bestuur van de vennootschap ingrijpende besluiten neemt, zal het zich de vraag (moeten) stellen of andere organen van de vennootschap en/of de ondernemingsraad in het besluitvormingsproces betrokken moeten worden. Zo zal, indien het structuurregime verplicht of vrijwillig wordt toegepast, de raad van commissarissen zijn goedkeuring hebben te hechten aan de (belangrijke) besluiten die zijn opgesomd in art. 2:164/274 BW. Bestuursbesluiten van de naamloze vennootschap1 die de identiteit of het karakter van de vennootschap of de met haar verbonden onderneming betreffen, zijn onderworpen aan goedkeuring door de algemene vergadering van aandeelhouders (art. 2:107a lid 1 BW). Bij de totstandkoming van het besluit van de algemene vergadering speelt het spreekrecht van de ondernemingsraad (art. 2:107a lid 3 BW) een rol. Denkbaar is dat ten aanzien van een en hetzelfde besluit meerdere goedkeurings- c.q. adviesrechten in acht genomen dienen te worden. Voorbeelden van een dergelijke samenloop zijn het besluit tot het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking2 en het besluit tot het aanvragen van het eigen faillissement van de vennootschap.3 Alvorens de vraag tegen het licht te houden wat in dit gehele besluitvormingsproces het aangewezen moment is of de aangewezen momenten zijn om de ondernemingsraad daarin te betrekken, zal ik in iets algemenere zin stil staan bij het spreekrecht van de ondernemingsraad. Ik verlaat hier in zekere zin het spanningsveld tussen de WOR en de vennootschap. Daar staat tegenover dat het spreekrecht een vorm van directe medezeggenschap is die in de WOR, en dus in mijn onderzoek, centraal staat.