Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/8.2
8.2 De bescherming van grondrechten in de Europese Unie
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197288:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EGKS, EGA en EEG.
HvJ 4 februari 1959, zaak C-1/58 Stork & Cie. v High Authority, ECLI:EU:C:1959:4.
HvJ 15 juli 1964, zaak C-6/64 Costa v E.N.E.L., ECLI:EU:C:1964:66. Zie over direct effect en primacy van EU-recht: Terra/Wattel 2018, p. 115-121.
HvJ 9 maart 1978, zaak C-106/77 Simmenthal III, ECLI:EU:C:1978:49.
HvJ 12 november 1969, zaak C-29/69 Stauder v Stadt Ulm, ECLI:EU:C:1969:57.
HvJ 17 december 1970, zaak C-11/70 Internationale Handelsgesellschaft mbH v Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel, ECLI:EU:C:1970:114.
HvJ 14 mei 1974, zaak C-4/73 Nold KG v Commission, ECLI:EU:C:1974:51.
Gemeenschappelijke verklaring van het Europese Parlement, de Raad en de Commissie van 5 april 1977, Pb. 1977, C 103/1. De tekst van de verklaring luidt als volgt:“1. Het Europese Parlement, de Raad en de Commissie benadrukken het allergrootste belang dat zij hechten aan de eerbiediging van de fundamentele rechten, zoals deze met name volgen uit de grondwetten van de Lid-Staten en het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 2. In de uitoefening van hun bevoegdheden en bij het nastreven van de doelstellingen van de Europese Gemeenschappen eerbiedigen zij deze rechten en zullen zij deze blijven eerbiedigen.”
Publicatieblad 2000/C 364/01. Het Handvest werd op 7 december 2000 plechtig afgekondigd en ondertekend tijdens de Europese top in Nice.
Artikel 6, lid 1, VEU bepaalt verder dat de bepalingen van het Handvest geenszins een verruiming inhouden van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen. Voorts worden de rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest uitgelegd overeenkomstig de algemene bepalingen van titel VII van het Handvest, waarbij de in het Handvest bedoelde toelichtingen terdege in acht genomen worden.
Dat grondrechten doorwerken in de rechtsorde van de EU lag ten tijde van de oprichting van de Europese Gemeenschappen1 in de jaren vijftig van de vorige eeuw niet voor de hand. Deze hielden ‘slechts’ economische ordening en samenwerking en vrije marktregels in. De oprichtingsverdragen bevatten dan ook geen of nauwelijks bepalingen met betrekking tot de bescherming van grondrechten. Bovendien vond bescherming van grondrechten al plaats op nationaal niveau en op het niveau van het EVRM, dat enkele jaren vóór de totstandkoming van de verdragen van de Europese Gemeenschappen in werking was getreden. Al snel werd het Hof van Justitie evenwel geconfronteerd met gevallen waar verzoekers zich op het standpunt stelden dat hun door de nationale wet beschermde grondrechten werden geschonden door het Europese recht. Aanvankelijk wilde het HvJ niet weten van doorwerking van grondrechten in de rechtsorde van de EU, omdat hij meende zich te moeten onthouden van uitspraken omtrent nationale rechtsvoorschriften.2 De kwestie van de grondrechten kwam op scherp te staan nadat het HvJ in Costa/E.N.E.L.3 oordeelde dat bepalingen van Gemeenschapsrecht voorrang hebben op nationaal (constitutioneel) recht. Dit betekent dat de nationale rechter verplicht is “het Gemeenschapsrecht integraal toe te passen en de door dit recht aan particulieren toegekende rechten te beschermen, daarbij buiten toepassing latend elke eventueel daarmee strijdige bepaling van de nationale wet, ongeacht of deze van vroegere of latere datum is dan de Gemeenschapsregel”.4 Dit beginsel van voorrang brengt onder meer mee dat het Gemeenschapsrecht niet mag worden getoetst aan het nationale (constitutionele) recht. Er ontstond derhalve een lacune op het gebied van de grondrechtenbescherming, aangezien de grondrechten niet werden gewaarborgd door het HvJ, terwijl het de nationale rechter gelet op het beginsel van voorrang niet was toegestaan om Gemeenschapsbesluiten te toetsen aan de nationale (grond)wet. In landen waar de de grondwettigheid van formele wetten werd gewaarborgd door een constitutioneel Hof, zoals Duitsland, zorgde dit voor discussies over de verhouding tussen het HvJ en de nationale constitutionele rechter.
In 1969 ging het HvJ ‘om’ en besliste dat grondrechten deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen van de Europese Gemeenschappen en dat die rechten door het Hof worden verzekerd.5 Bij de bescherming van fundamentele rechten laat het HvJ zich leiden door de gemeenschappelijke constitutionele tradities die de lidstaten met elkaar gemeen hebben6, waarbij ook aanwijzingen kunnen worden ontleend aan de internationale wilsverklaringen inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten (zoals bijvoorbeeld het EVRM).7 Aldus is het HvJ bescherming gaan bieden tegen inbreuken op grondrechten veroorzaakt door het Gemeenschapsrecht, zonder dat daarvoor een grondslag bestond in de verdragen. De oplossing die het HvJ hiervoor had gevonden was de grondrechten te beschouwen als ongeschreven algemene beginselen van EU-recht, waarvan het bestaan volgt uit de constituties van de lidstaten en uit hun aansluiting bij het EVRM. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben het belang van de bescherming van grondrechten in de EU benadrukt in een gezamenlijke verklaring van 5 april 1977.8
Bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht per 1 december 1993 heeft de bescherming van grondrechten een plek gekregen in het EU-verdrag. In (thans) artikel 6, lid 3, VEU is ’s Hofs rechtspraak gecodificeerd inhoudende dat de grondrechten zoals die worden gewaarborgd door het EVRM en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie. Sinds 2000 beschikt de EU bovendien over een uitgebreide grondrechtencatalogus in de vorm van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.9 Aanvankelijk had het Handvest de status van politieke verklaring. Burgers konden geen beroep doen op zijn bepalingen, althans niet op basis van het EU-recht. Daarin is per 1 december 2009 met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon verandering gekomen. Sindsdien is het Handvest juridisch bindend voor de instellingen van de EU en voor de lidstaten van de EU wanneer zij het EU-recht ten uitvoer brengen. Artikel 6, lid 1, VEU bepaalt daartoe dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen erkent die zijn vastgesteld in het Handvest, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.10