Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/7.7.1
7.7.1 Positie als (derde-)belanghebbende
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268547:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art.1:2, eerste lid Awb. Uitzondering is het functieverbod, zie hierover par. 7.7.5.
Zie hierover bijvoorbeeld de Minister van Financiën: ”Wij beseffen zeer goed dat deze hele procedure van geschiktheids- en betrouwbaarheidsbeoordeling zeer ingrijpend is. Het is misschien wel een van de hardste instrumenten die er inmiddels zijn, vanwege de werking ervan. Ik meen dat een van de leden het ook al zei: als je daar als bestuurder van een financiële instelling in terechtkomt en dat naar buiten komt, dan ben je echt beschadigd. Toch is het een belangrijk instrument, maar we moeten er wel heel zorgvuldig mee omgaan” (Kamerstukken II, 2015/16, 34 208, nr. 11 p. 36 en 37). Ook Kamerlid Nijboer (PvdA) heeft er op gewezen dat de positie van personen werkzaam in de financiële sector “voor eeuwig beschadigd” kan raken als zij niet goed door de toets komen, uit hun functie ontheven worden of dreigen ontheven te worden (Kamerstukken II, 2015/16, 34 208, nr. 11, p. 8).
Zie art. 15, eerste lid van het Handvest. Zie ook art. 16 (vrijheid van ondernemerschap) en de algemene beperkingsclausule opgenomen in art 52, eerste lid, Handvest. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Zie hoofdstuk 2, par. 2.2.1. Wel dient steeds een belangenafweging gemaakt te worden, zie par. 7.4.1. Het betrouwbaarheidsoordeel lijkt daarom toch een context-afhankelijke toets die niet los kan worden gezien van de onderneming waar betrokkene op dat moment werkzaam is. Zie ook CBb 28 december 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BC4185 (LTO Noord), ro 6.3 en 6.4 en C.M. Grundmann-van de Krol, Koersen door het effectenrecht, 2011, p. 540.
Art. 1.3 Beleidsregel Geschiktheid.
G. Roth en J. Roepnarain, ‘De toetsing van bestuurders en commissarissen door DNB en de AFM. Beschouwingen vanuit de theorie én de praktijk’, in: M. Lückerath-Rovers e.a. (red.), Jaarboek Corporate Governance 2015-2016, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 87 en 88.
S. Daniels & A. de Moor-van Vugt, ‘De Delta Lloyd uitspraken’, TvT 2016, afl. 7, p. 70.
D. Busch & A.J.A.D. van der Hurk, , ‘Bestuursverboden en toetsing van beleidsbepalers in de financiële sector’, in: D. Busch e.a. (red.), Wet continuïteit ondernemingen (delen I en II) en het bestuursverbod, Preadviezen Nederlandse Vereeniging voor Handelsrecht 2014, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 205.
CBb 29 april 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AO8939 en ECLI:NL:CBB:2004:AO9910. Zie in dit verband ook G.P. Roth, ‘De belanghebbenden in het financieel toezichtsrecht: wie zijn het, wat kunnen ze?’, Ondernemingsrecht 2011/38, afl. 5, p. 192-198.
Zie par. 7.4.2. Zie ook art. 263, vierde alinea, VWEU.
Zie R. Barents, Europees recht, Groningen: Noordhoff 2016, p. 194. De betrokken getoetste persoon wordt rechtstreeks geraakt door een besluit dat is gericht tot de instelling, wanneer hij hierdoor direct in zijn juridische positie wordt geraakt en er geen discretionaire bevoegdheden nodig zijn voor de instelling om de maatregel ten uitvoer te leggen. Betrokkene wordt mijns inziens ook individueel geraakt nu hij zich in een feitelijke situatie bevindt die hem onderscheidt van anderen; het betreft immers de toetsing van zijn persoon.
Zie bijvoorbeeld S. van Alfen, ‘Beoordeling nevenfuncties is zaak van pensioenfonds’, Pensioen Pro, 24 april 2018.
Zie Annual report ECB 2017, p. 76: In about a fifth of all cases, specific concerns needed to be addressed. In many cases, the ECB imposed conditions, obligations or recommendations to address those specific concerns, for example regarding the experience and time commitment of the candidates. Zie ook Annual report ECB 2016, p. 37: ”Many of the assessments involved deeper analysis; approximately a fifth of all cases raised concerns, mostly relating to time commitment and experience. In many of these cases the ECB imposed conditions, obligations or recommendations to address specific concerns, for example by making the decision conditional on taking additional training or on relinquishing a function outside the bank owing to a conflict of interest or time commitment issue.”
ZBO Verantwoording DNB 2017, p. 54, Bijlage 1, tabel 18.
Zie bijvoorbeeld G. P. Roth, ‘Rechtsbescherming tegen handelingen van DNB en de AFM’, Ondernemingsrecht 2016/48, die overigens betwijfelt of bedoelde vrees altijd terecht is. Zie ook S.M.C. Nuijten in haar annotatie bij Rb. Rotterdam 16 maart 2015, ECLI:NL:RBOT:2015:1850 en D. Busch & A.J.A.D. van den Hurk, ‘Bestuursverboden en toetsing van beleidsbepalers in de financiële sector’, in: D. Busch e.a. (red.), Wet continuïteit ondernemingen (delen I en II) en het bestuursverbod, Preadviezen Nederlandse Vereeniging voor Handelsrecht 2014, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 219.
Art.1:97 Wft. In bepaalde gevallen kan de publicatie worden geanonimiseerd of worden uitgesteld (art. 1:98, eerste lid, Wft) of zelfs worden afgesteld (art. 1:98, tweede lid, Wft). Afwijzende beslissingen na een voorgedragen benoeming en de weigering om een vergunning te verlenen kunnen niet worden beschouwd als een bestuurlijk sanctiebesluit en worden niet gepubliceerd.
Op het moment dat de aanvraag wordt ingetrokken of de bestuurder niet langer in functie is, vervalt de bevoegdheid van de toezichthouder om een afwijzend besluit te nemen. Ook een aanwijzingsbesluit tot heenzending is niet mogelijk wanneer de onderneming niet (langer) in overtreding is.
Bron: ZBO-Verantwoording DNB 2019, Bijlage 1, tabel 19. In de cijfers over 2018 en 2019 zijn ook de terugtrekkingen meegeteld na een verzoek om aanvullende informatie of na een eerste toetsingsgesprek. Ook bij de AFM is het aantal ingetrokken aanvragen relatief groot: in de periode 2012-2016 betrof het jaarlijks respectievelijk 93, 99, 72, 85 en 46 intrekkingen (Rapport van de Commissie Ottow, p. 86).
What is fit and proper supervision?,18 March 2016, https://www.bankingsupervision.europa.eu/about/ssmexplained/html/fap.en.html.
EIOPA Peer Review 2019, p. 4. Uitschieter is het Verenigd Koninkrijk, waar 6,1% van de bestuurders en commissarissen zich terugtrekt en 6,8% van de houders van een gekwalificeerde deelneming.
Alleen bij de boete en het functieverbod kan de procedure worden voortgezet om tot een definitief besluit te komen, ongeacht de vraag of de bestuurder in kwestie nog in functie is (zie par. 7.7.5).
Zie bijvoorbeeld CBb 18 oktober 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BU3246. In andere gevallen oordeelde de rechter overigens wel over zowel het betrouwbaarheidsoordeel als overige vergunningsvoorwaarden, een aanpak die mijns inziens, vanuit het oogpunt van rechtsbescherming en rechtszekerheid, te verkiezen is, zie CBb 23 december 2011, ECLI:NL:CBB:BU958 en Rb. Rotterdam 15 december 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU9027.
Zie bijvoorbeeld Kamerlid Nijboer (PvdA): “DNB kan mensen, personen, maken of breken nog voor hij formeel een uitspraak heeft gedaan,” Kamerstukken II, 2015/16, 34 208, nr. 11, p. 8.
Zie EHRM 25 mei 1993, ECLI:CE:ECHR:0525JUD001430788, r.o. 40 (Kokkinakis/Griekenland). Gepubliceerde rechtspraak, waarbij vage begrippen op een bestendige wijze worden uitgelegd, kan maken dat de open norm voldoende voorzienbaar is (“foreseeability”) en de rechtszekerheid bevorderen. Zie hierover ook hoofdstuk 1, par. 1.4.
Toetsingsbesluiten worden opgelegd aan de instelling, nu deze de normadressaat is van de betreffende wettelijke bepalingen.1 Afwijzende besluiten kunnen diep ingrijpen in de bedrijfsvoering en de belangen van de instelling bij de toetsing zijn groot. Dit geldt voor de betrokken beleidsbepaler eens te meer. Anders dan bij reguliere toezichtprocessen raken toetsingen de beleidsbepaler in persoon. Iemands eigen integriteit of geschiktheid staat op het spel, waardoor de “lading” van het besluit groot is en een afwijzend besluit (aanzienlijke) reputatieschade met zich mee kan brengen.2 Een negatief toetsingsbesluit betekent voorts een beperking van de in het Handvest neergelegde vrijheid tot het uitoefenen van beroep: de beleidsbepaler kan de (beoogde) functie immers niet (langer) uitoefenen.3 De gevolgen van een negatief besluit kunnen bovendien verder strekken dan de enkele functie waarop de toetsing betrekking had. Een negatief betrouwbaarheidsoordeel betekent dat de betrokken beleidsbepaler in beginsel ook niet elders in de financiële sector gedoogd kan worden. De betrouwbaarheidsnormen zijn in alle sectoren -financiële ondernemingen, pensioenfondsen, trustkantoren- immers gelijk.4 En hoewel een geschiktheidsoordeel steeds betrekking heeft op een specifieke functie bij een specifieke instelling5 zal ook dit oordeel voor andere functies gevolgen kunnen hebben. Een volgende financiële instelling kan namelijk huiverig zijn om een kandidaat voor te dragen die eerder door de toezichthouder is “afgetoetst”. Hierop wijzen bijvoorbeeld Roth en Roepnarain,6 Daniels en De Moor-van Vugt,7 en Busch en Van den Hurk.8 Eenmaal “afgetoetst” zal terugkeer in de financiële sector daarom zeer lastig kunnen zijn.
Gezien deze directe en persoonlijk betrokken belangen wordt de betrokken beleidsbepaler als (derde) belanghebbende aangemerkt bij de aan de instelling opgelegde toetsingsbesluiten.9 Ook in de eerder genoemde uitspraak Crédit Agricole/ ECB heeft het Gerecht de betrokken kandidaat- beleidsbepalers als belanghebbenden aangemerkt bij het aan de instelling gerichte, afwijzende toetsingsbesluit.10 Dit is in lijn met vaste Europese rechtspraak, waarbij beroep open staat tegen handelingen waarvan een ander normadressaat is, mits deze handelingen de persoon rechtstreeks en individueel raken.11
Tussen oordeel en besluit
In de praktijk zal de toezichthouder, wanneer het onderzoek heeft geresulteerd in een voorlopig negatief toetsingsoordeel, de instelling en de betrokken beleidsbepaler hiervan in kennis stellen. De beleidsbepaler krijgt hiervan schriftelijk bericht. In deze brief wordt aangekondigd dat de toezichthouder voornemens is negatief te beslissen, en wordt betrokkene uitgenodigd voor een gesprek waarbij de toezichthouder het voorlopig oordeel mondeling toelicht. De volgende formele processtap bestaat uit het opstellen van een schriftelijk “voorgenomen” besluit. In de praktijk wordt een definitief besluit altijd voorafgegaan door een dergelijk voornemen. Zowel de instelling als de beleidsbepaler worden in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van dit voornemen hun zienswijze te geven. Dit kan mondeling of schriftelijk.12 Pas hierna zal de toezichthouder, met inachtneming van de gegeven zienswijze, een besluit nemen.
De ECB volgt een vergelijkbaar proces. In ECB-termen heet deze fase, tussen oordeel en besluit, de supervisory dialogue. In deze fase kan worden gezocht naar een oplossing voor bijvoorbeeld gebreken in de geschiktheid, zoals een gebrek aan bepaalde specifieke expertise of situaties van (potentiële) belangenverstrengeling. Daarbij kunnen bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt over te volgen trainingen of opleidingen, of over het afstoten van bepaalde (onverenigbare) nevenfuncties.13 Dit kan resulteren in een positief besluit, eventueel onder bepaalde (opschortende) voorwaarden. Van deze laatste mogelijkheid maakt de ECB veelvuldig gebruik14 en dit wordt ook in Nederland toegepast.15
Het kan echter ook zo zijn dat de instelling na het eerste negatieve signaal van de toezichthouder de beleidsbepaler terugtrekt. Ook wanneer in de dialoog-fase geen oplossing wordt gevonden of wanneer de instelling na de toelichting van de toezichthouder nieuwe informatie verkrijgt over de beleidsbepaler die een ander licht werpt op de gewenste betrouwbaarheid en/of geschiktheid, kan een instelling er voor kiezen om de definitieve besluitvorming niet af te wachten en de beleidsbepaler terug te trekken. Mogelijk deelt de instelling in dergelijke gevallen het oordeel van de toezichthouder, maar ook andere factoren kunnen meespelen zoals het belang van de continuïteit van de onderneming, het voorkomen van reputatieschade en/of vrees om de toezichtrelatie te beschadigen.16 Bij de beslissing kan ook het wettelijke publicatieregime een rol spelen: op grond hiervan zal bijvoorbeeld een heenzendingsbesluit moeten worden gepubliceerd zodra dit onherroepelijk is.17 Beleidsbepalers kunnen zich om vergelijkbare redenen neerleggen bij het voorlopige oordeel van de toezichthouder. Dit kan zijn omdat men het oordeel van de toezichthouder deelt, en bijvoorbeeld inziet dat bepaalde specifieke kennis, zoals bijvoorbeeld is vereist voor leden van een beleggingscommissie bij een pensioenfonds, ontbreekt. Maar ook de vrees voor reputatieschade en de verstrekkende gevolgen van een afwijzend besluit (zie hiervoor), kunnen een beleidsbepaler doen besluiten om zich in een vroeg stadium terug te trekken.
Tegen deze achtergrond kan worden geconstateerd dat een toetsingsproces in de praktijk zelden resulteert in een negatief toetsingsbesluit.18 Ter illustratie: DNB nam in de periode 2014-2019 respectievelijk 2, 6, 1, 3, 2 en 1 keer een formeel negatief besluit, terwijl in diezelfde periode respectievelijk 101, 72, 40, 32, 43 en 45 aanvragen na het bekendmaken van het negatieve oordeel werden ingetrokken.19 De ECB maakt hierover geen cijfers bekend, maar de ECB-site vermeldt: “Banks quite regularly decide to withdraw candidates if it becomes clear that concerns cannot be remedied.”20 Uit de Peer Review van EIOPA naar de betrouwbaarheidstoetsing in de verschillende lidstaten blijkt dat ongeveer 1,6% van de kandidaten zich terugtrekt, “often when NCAs express concerns”. Bij de voorgedragen houders van een gekwalificeerde deelneming is dit percentage 4,1%.21
Hoewel de periode tussen oordeel en besluit beschouwd kan worden als een vorm van zorgvuldigheid, omdat in deze periode hoor en wederhoor kan plaatsvinden en zowel de betrokken instelling als de beleidsbepaler de mogelijkheid wordt geboden om de kandidatuur in te trekken en (reputatie-)schade te voorkomen, brengt dit een “teruggetrokken” beleidsbepaler die het niet eens is met het voorlopig toetsingsoordeel van de toezichthouder in een kwetsbare positie. Er is immers geen definitief besluit genomen in de zin van art. 1:3 Awb waartegen hij bestuursrechtelijke rechtsbescherming kan inroepen. De toezichthouder is hiertoe ook niet langer bevoegd: is een beleidsbepaler eenmaal teruggetrokken, dan is er immers ofwel geen aanvraag of melding meer waarop beslist kan worden (bij aanvangstoetsingen), ofwel, bij hertoetsingen, is er geen sprake van een definitief vastgestelde overtreding waarop gehandhaafd kan worden.22
Tot een definitief besluit over iemands geschiktheid of betrouwbaarheid zal het in de praktijk ook meestal niet meer komen. De beleidsbepaler is hiervoor afhankelijk van een (andere) instelling die hem opnieuw wil voordragen als kandidaat-beleidsbepaler. Voor zover een instelling al bereid zou zijn om dit risico te nemen, loopt de beleidsbepaler de kans om wederom, na een negatief voorlopig toetsingsoordeel, te worden teruggetrokken. Zo belandt hij in een vicieuze cirkel. Om deze cirkel te doorbreken zou de beleidsbepaler zelf een (Wft-)vergunning of een vvgb moeten aanvragen, maar een dergelijke omweg kan mijns inziens niet van de betrokken beleidsbepaler worden gevergd. Bovendien kan de toezichthouder een dergelijke aanvraag ook op andere gronden afwijzen dan de geschiktheid of de betrouwbaarheid, zodat een oordeel hierover niet is gegarandeerd.23
In de hierna volgende paragrafen onderzoek ik een aantal mogelijkheden om de teruggetrokken beleidsbepaler (alsnog) rechtsbescherming te bieden. Dat deze rechtsbescherming zou ontberen lijkt mij namelijk een onwenselijke situatie. De belangen van de betrokken beleidsbepaler zijn, ook wanneer het negatieve toetsingsoordeel zich niet in een besluit materialiseert, immers groot.24 Daarnaast acht ik het ook voor de toezichthouder van belang dat de onafhankelijke rechter zijn besluiten beoordeelt en daarbij de door de toezichthouder gehanteerde invulling van de –veelal open geformuleerde- normen toetst. Dit vergroot de legitimiteit van zijn optreden en geeft de grenzen aan voor toekomstige besluiten. Bovendien is (gepubliceerde) rechtspraak, waarbij open normen in een bestendige lijn worden uitgelegd, belangrijk in het licht van de kenbaarheid van de norm.25